Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

flimraerende, die een alkalisch, uit korreltjes bestaand slijm afscheiden, en de overige, die alle een epithelium, dat uit schubjes bestaateven als dat der uitwendige huid, en zure afscheiding zullen bezitten.

Het vermelde geschrift van Böbm (Die kranke DarmscJileimhriut in tl. Cholera, 1838) bevat afbeeldingen van de opperhuid der darmvlokken, dergalhuizenen pisbereidende werktuigen. Wasmann [De digestione, 1839) gaf eene meer naauwkeurige beschrijving van het epithelium der maag en hare klieren. Schwann [Hlikroskop. Lnters. 1839, S. 85) bevestigde ten gevolge van eigen onderzoek de waarnemingen van Pcrkinje en van1 mij omtrent het groeijen der opperhuidcellen.

Met enkele woorden moet ik nog melding maken van de wijze, waarop VaLENiiN [Repertor, 1838, S. 309) de drie door mij vastgestelde vormen van epithelium gekarakteriseerd heeft.

Valentin onderscheidt drie verschillende vormen van aaneenvoeging der cellen: 1. De polyedrische cellen liggen naast elkander in het geheel niet, of met hare tegenover elkander gelegene hoeken wederkeerig verbonden. 2. De in overlangsche 1'jnen geplaatste, gemetamorphoscerde cellen zijn horizontaal draadvormig aan elkander verbonden. De nucleus wordt door den wand overal als een zeer smalle zoom, welke onmiddellijk in het verbindingsgedeelte overgaat, omgeven. Het geheel gelijkt volkomen aan het overgangs-tijdperk der cel in eenen draad in de weefsels van het embryo. 3. De afzonderlijke cellen zijn loodregt dradig aaneen— verbonden, een vorm, die bij geen cylinder- of ilimmer-epithelium schijnt te ontbreken (1). Pappenheim en Gerber hebben zich aan Valentin aangesloten. De eerste \Verdauung 1839, S. 117) is van meening, dat de in de maag voorkomende cylindrische epitheliën uit verscheidene celligchaampjes ontstaan, die allengs met elkander ineensmelten. Daarop zal het voorkomen van verscheidene loodregt over elkander staande kernen wijzen. Gerber (Allg. Anatomie, 1840, S. 90) zegt, dat de epithelmm-cylinders gewoonlijk op een eenvoudig en vlak plaveisel-epithelium zijn ingeplant. De cellen van dit epithelium zullen met de cylinders ineensmelten, evenwel zoo, dat eene insnoering de grenzen tusschen beiden aangeeft; middelerwijl zullen er nieuwe plaveiselcellen nagroeijen, eveneens zich aan de vorige verbinden enz., tot dat het ligchaampje, welks bovenste gedeelte de cylinder is, 2—5 kernen onder elkander geplaatst insluit, en zoo doende eene vrijstaande ceVvezel wordt.

Wat vooreerst dit loodregt aaneen verbonden epithelium aangaat, zoo moet ik bekennen, dat mij geen geval is voorgekomen, waarop deze beschrijving of de door Valentin en Gerber geleverde afbeeldingen passen. Gladde of ciliën dragende cylinders met twee kernen zijn reeds zeldzaam; meer kernen heb ik niet gezien. Misschien hebben de genoemde waarnemers de cylinders niet genoeg geïsoleerd, en zoo doende de kernen van verschillende, over elkander geschovene cylinders aan eenen enkelen gemeend te zien. liet horizontaal draadvormig aaneen verbonden

(1) In een later opstel (Wagner's Handwörterb. f. Phys. I, 650) neemt Valentiv slechts 2 epitheliumvormen aan: 1. het flimmer-epithelium; 2. niet flimmerend epithelium; tot het laatste rekent hij het plaveisel- of laagsgewijs en cylinderepithelium. • Vert.

Sluiten