Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

evenwijdige, overlangs loopende vezels zou bestaan. De strepen worden aan den nagel in dezelfde streek, als aan liet nagelbed, plotseling fijner, en het fijngestreepte gedeelte is grootendeels onder de groef verborgen; slechts het middelste gedeelte komt vóór de groef zigtbaar, als de lunula van den nagel. De lunula is dien ten gevolge slechts het voorste gedeelte van den nagelwortel. Daar het nagelbed van voren, aan de plooijen en vlokken, zeer bloedrijk, doch van achteren, aan het fijngestreepte gedeelte, armer aan vaten is, en de kleur der c.utis door den nagel heen schijnt, zoo doet zich het ligchaam van den nagel rood, de lunula wit voor. Intusschen verschilt ook de zelfstandigheid van den nagel zeiven aan het ligchaam en den wortel. Aan den wortel is zij dunner, weeker en witter; aan het ligchaam dikker en van eene geelachtige kleur.

Ook de nagel heeft zijn rele Malpighii. Bij volwassenen onderscheiden zich de achterrand en de onderste vlakte, die naar het nagelbed toegekeerd is, van de eigenlijke nagelzelfstandigheid door hunne weekheid en witte kleur, en op de dwarse doorsnede zijn de beide zelfstandigheden scherp van elkander afgescheiden; slechts de vveeke zelfstandigheid vormt de vlokvormige verlengsels, die tusschen de plooijen van het nagelbed indringen. Onder het mikroskoop ziet dit rele er gekorreld uit; ik kon echter zelfs niet door behandeling met azijnzuur eigenlijke cellen of celkernen duidelijk maken. Bij het foetus en bij pasgeborenen daarentegen bestaat nog niet alleen het rele Malpighii van het nagelligchaam, maar ook het achterste gedeelte van den nagelwortel, uit geïsoleerde cellen, even als het rele Malpighii der huid (1).

(1) GiiSTEER (Lehrb. I, S. 294) meent gevonden te hebhen, dat(le elementen

van de plooijen, die in de overlangsche groeven der cutis indringen, van de na-

jjolzelfstandiglicid zeer verschillen, scherp van deze laatste zijn afgescheiden en

gemakkelijk van haar kunnen worden losgemaakt. liet weefsel der plooijen zou

bestaan uit vezels of cylinders van 5/9()0'" , die van de onderste nagelvlakte af naar beneden in de plooi loopen en aan het einde of aan den ondersten rand blind schijnen te eindigen. G. kon niet uitmaken, of zij holle huizen dan wel vaste cylinders zijn: enkele malen meende hij een lumen te ontdekken; later kon hij het weder niet vinden. Even zoo duister is hem het beloop en het uiteinde dezer vezels naar boven gebleven; zij kruissen zoo dooreen, dat men de afzonderlijke vezel niet kan vervolgen. Aan enkele langere vezels, die van de overige

Sluiten