Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tusschen de binnenvlakte der sclerotica en de buitenvlakte der choroïdea wordt een zeer teeder, uit vezels gevormd weefsel gevonden , dat vaneenscheurt wanneer men de beide vliezen van elkander afscheidt, en in eene dunne laag op elk derzelve blijft liggen. Het gedeelte, dat aan de sclerotica blijft vastgehecht, is als lamina fuscci bekend. Zijne bruinachtige kleur is dit plaatje aan eene eigenaardige soort van pigmentcellen verschuldigd, welke tusschen de vezels van dit vlies, die almede door haren vorm eigenaardig gekenmerkt zijn, liggen ingesloten. Zij zijn van eene hoogst onregelmatige gedaante, meestal plat, daarbij driehoekig, trapeziumvormig, ovaal, en in puntige uitsteeksels verlengd (PI. I, Fig. 13). Die eenen ronden of vierhoekigen vorm nabij komen en eenigermate kunnen worden gemelen, bezitten niet ligt minder dan 0,008'", dikwijls 0,015"' en meer in doormeting. Gewoonlijk vertoont zich

Ina;;' zijn tle kernen nog bruin, de cellen hleeker clan in de onderste, maar er worden enkele bruine van 0,006—0.012"' doormeting gevonden, die zich wel is waar gekorreld voordoen, maar waarvan door behandeling met azijnzuur of door drukking geene pigmentkorreltjes kunnen worden afgescheiden; zij zijn veeleer over hare geheele massa, of ten minste in hare wanden, gelijkmatig gekleurd. De kleur van de epidermis der negers verhoudt zich hoofdzakelijk op dezelfde wijze; zij is slechts gelijkmatiger verspreid en hooger, terwijl op de donkere plaatsen bij liet blanke ras de gekleurde kernen en cellen in enkele streken voorkomen. De kernen van de onderste huidlagen der negers vond Kradse bijna zwartbruin, scherp omschreven, eer mat dan glinsterend3 slechts onduidelijk gekorreld. Ilunne doormeting wisselt tusschen 0,0012 op 0,0016en 0,003 op 0,004' af; de ronde of langwerpige nucleolus. die nog donkerder is, meet ongeveer 0,001'". Ook zijn de cellen der diepe laag bruin, maar veel lichter dan de kernen, en eveneens gelijkmatig gekleurd, echter niet door in haar bevat pigment. In de middelste laag zijn de kernen nog donker, de cellen echter lichter en nu en dan tamelijk bleek fn deze laag komen ook wezenlijke pigmentccllen van 0,01"' voor, die, behalve de donkere kern, nog kleine, ronde en langwerpige pigmentkorreltjes bevatten van minder dan 0,001'" doormeling, en die door azijnzuur en drukking uiteengaan. Zij zijn met betrekking tot de gelijkmatig gekleurde cellen slechts weinig in aantal. Nog zeldzamer en tot eene grootte van 0,024"' zijn zij in de hoornlaag aanwezig. De meeste dezer cellen zijn bleek. In aggregaten echter, vergeleken met de epidermiscellcn der blanken, houdt KriAUSE ze voor donkerder, licht bruinachtig; zelfs de kern, die menigvuldiger zigtbaar is dan op dezelfde huidplekkcn bij blanken, is slechts zelden bleek, meestal nog donkerbruin. (Verg. IIenie, in Canstatt's Jahresb. 1845, I, 13.)

VERT.

Sluiten