Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leyenstijdperken, b.v. ten tijde der puberteit of der zwangerschap, bij het blanke ras pigment in de huid kan worden gevormd ; de grond dezer celontwikkeling is eene typische, en mag niet in uitwendige invloeden gezocht worden. Dat de zonhitte, en haar ten gevolge eene bovenmatige vorming van koolstof, oorzaak is van de zwarte kleur der negers, gelooft tegenwoordig niemand meer, daar het eene uitgemaakte zaak is, dat Europeërs in Afrika niet zwart en Mooren in Luropa niet blank worden. Intusschen bewijst het ontstaan van zomersproeten, eene reeds meer aan het ziekelijke grenzende pigmentvorming, dat ook de uitwendige temperatuur niet zonder invloed is op het ontstaan van kleurstof in de huid (1).

Dat het typisch gevormd pigment voor regeneratie vatbaar is, werd door een groot aantal waarnemingen bewezen; maar de huid mag, zoo als het schijnt, gecne aanmerkelijke beleedigingen hebben ondergaan. De likteekens, die na heviger verbrandingen ontstaan, zijn, volgens Labate (2), bij negers wit. Misschien waren het zulke gevallen, die Boyle (5), Camper (4), Biciiat (l>) en Cruveilhier (6) tot de meening bragten, dat de likteekens der negers niet gekleurd werden. Misschien hebben deze onderzoekers ook geen tijd lang genoeg voor hunne waarnemingen kunnen besteden; want het blijkt uit Pechlin s (7) en Gordon's (8) mededeelingen, dat de likteekens in den eersten tijd na de genezing wit zijn en eerst later zwart worden. Slechts bij zeer oppervlakkige beleedigingen grijpt er regeneratie van het pigment gelijktijdig met de genezing plaats. Gaul-

(1) Bij kikvorsctien, die zuivere zuurstof inademden, zag Molescüott (van der Hoeven en de vhiese, Tijdschrift, D. XII, St. 2, p. 140), dat zij de zwartbruine vlekken op de uitwendige huid verloren; ua enkele uren waren zij reeds iets lichter geworden, na 12 dagen was hare bleekheid in het oog loopend, na 18 dagen waren de donkere halve ringen aan den achterschenkel nagenoeg verdwenen. Eene overmaat van zuurstof schijnt derhalve het dierlijke pigment te verstoren.

, . Vert.

(2) t. a. p. T. II, c. 14.

(3) Exp. et considerationes de coloribus, Amstel. 1667, p. 139.

(4) Demonslr. anat. palJiol., L. I, c. 2.

(5) Anat. f/énér. IV, 607.

(6) Essai sur l'anat. pathol. I, 505.

(7) De habilu et colore Aelhiopum , Kiel. 1677, p, 83.

(8) Tentamen medicum de vulnere natura s man do, Edinb. 1805 p. 34

Sluiten