Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Uiber, maai- dacht ook reeds aan de granulatie, die de grootere korreltjes Lijeen houdt. Het kwam hem vreemd voor, dat zij door drukking enz. van pin-, ment ontbloot konden worden en toch hunne omtrekken behielden. Uitvoeriger handelt VI darton JoN£s (Zidinb. med. and surg.Joum. 1833, Julij, p. 77) over het maaksel der pigmentlaag. Zij zou uit een aaneenhangend vlies hestaan, uit regelmatige, zeszijdige plaatjes zamengevoegd, waarin het pigment zou worden afgezet; het pigment zou geen wezenlijk bestanddeel van de membrana pigmenti zijn, daar dit vlies zich ook ongekleurd over het tapetum der zoogdieren voortel en ook in Albinos aanwezig is, bij «elke echter de plaatjes met zeszijdiomaar rond zijn. (Uier werden de celkernen voor de plaatjes zelve gehouden, en de omtrekken der cellen over het hoofd gezien.) De zeszijdige plaatjes zouden door slijm- of celweefsel verbonden zijn, en zich gemakkelijk laten scheiden. Op deuvea zouden zij niet meer zeszijdig, maar rondachtig zijn, ongeveer echter van dezelfde grootte. Den naam van vlies verdient de pigmentlaag der choroïdea zeker even zoo goed als de opperhuid; het verdient echter wel opmerking, dat er met denzelfden naam door anderen geheel andere dingen worden bedoeld. Bij Jones zijn membrana pigmenti en pigment woorden van gelijke beteekenis. Het pin-mentvlies is uit cellen zamengesteld, die het pigment bevatten. Door anderen echter wordt onder membrana pigmenti een vlies verslaan, dat de pigmentlagen overtrekt, als het ware haar tot omhulsel dient, en zoo is deze naam nu eens op de tunica Jacobi, dan weder op sommige gedeelten der tunica Demoursii overgedragen. Kradse b.v. (Anat. 1, 414) plaagt membrana pigmenti en membrana Jacobi, zonder eenige nadere vermelding, als synonyma naast elkander, en beschrijft onder dezen naam een celvlies, dat de binnenste oppervlakte van het pigment op de choroïdea, vervolgens op den haarkransen eindelijk op de achtervlakte der iris bekleedt, aan welker rand het in liet DEMOCBs'sche vlies overgaat. Zulk een vlies kan als noodzakelijk beschouwd worden wan neer men het pigment voor een structuurloos, nedergezet slijm houdt. Daar'echler de verschillende vormen van opperhuid, die de vrije oppervlakten des ligchaams bedekken, even als het pigment, uit niets anders dan naast elkander JWende en door tusschencelstof verbondene cellen bestaan, is het vrij duidelijk, dat'het eene vlies het andere tot deszelfs bevestiging niet noodig heeft. Zonder hier reeds in den strijd omtrent de sereuse vliezen der oogkamers te treden, kan ik toch verzekeren, dat het pigment op de plaatsen, waar het vrij ligt, aan de achlervlakte der iris, geen doorschijnend en van de pigmentcellen verschillend overtreksel bezit, en dat derhalve aan de vliezen, welke bij de choroïdea en het corpus ciliare terstond op de pigmentlaag volgen, de beteekenis niet toekomt, welke door somuiige aan dezelve wordt toegekend.

Omtrent den aard der reeds door vroegere waarnemers opgemerkte en ook in de ifbeelding van Wh. Jones opgegevené lichtere vlek in het midden der pinment ' sIJmcMerl eerst Vaiïntin's boven medegedeelde onderzoekingen aan dë ooFen jan een foetus eenig meerder licht (1835). De zeszijdige vorm vsn de elementen es pigments werd nagenoeg door alle onderzoekers na hem als juist opoweven naar de kern en lichte vlek in het midden werden verschillend verklaard" Slechts ierres (Anatom. d. mikrosk. Gebilde, Heft IV, 1836, S. 82) rekent liet pigment

I

Sluiten