Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog, met de opperhuid, tot de anorganische stollen. Het zou uit blaasjes bestaan, die met eene donkere kleurstof overtrokken en meestal groepswijze opeengehoopt zijn. Langenbeck (De retina, 1836, p.16—37) verklaarde de zeshoekige plaatjes eerst voor cellen van eenen langwerpiger! of prismalisclien vorm, die de pigmentmoleculen in vakjes zouden bevatten. Het lichte punt in liet midden zou ingedrukt zijn en met de opening cener huidklier of de poren in de epidermiscellen der bladen overeenkomst bezitten. Hij gelooft, dat zij bestemd zijn om celweefselvezels op te nemen, die uit de binnenvlakte der choroïdea uitsteken, en wier cenigzins opge zwollene en knodsvormige uiteinden naar de buitenste oppervlakte van het pigment gerigt zijn. Deze waarnemingen zijn aan de oogen van paarden gemaakt. Bij deze zou, behalve liet pigment, nog eene bijzondere lantina nigricans gevonden worden; intusschen is bij de beschrijving van liet pigment en van de lamina nigricans dezelfde figuur aangehaald, en de elementen van beide zijn op volmaakt dezelfde wijze beschreven. De lichte strepen tusschen de cellen, die met de tussch en cel gangen der planten overeenkomen , zouden uit celweefsel bestaan, en dit scheen ook de cellen zelve le vormen , daar deze helder achterblijven, wanneer de pigmentligchaampjes zijn verwijderd. Gotische (Pfaff's Mittheilung. 1836, Heft 5, S. i-, volg.) vermoedt, dat de lichle rand der pigmentbussen, zoo noemt hij de cellen, de dikte harer wanden aangeeft. De tusschen-celgangen zouden nu en dan als uit kogeltjes zarnengesleld zijn, hetgeen wel alleen op optische misleiding berusten zal. De lichte plek houdt hij eveneens voor eene uitlozingsopening; doch hij zag ook de kern, hoewel niet volkomen juist aan de lichte pigment blaasjes van het tapetum. Ook Gottsche nam sommige, veel grootere pigmentcellcn waar, rondom welke de kleine op eene zeer eigenaardige wijze geplaatst waren. Dat de voorste oppervlakte van het pigmentvlies, omgeslagen, een lichten zoom vertoont, was hem wel bekend; maar hij houdt hem ten onregte voor een bijzonder, sereus vlies. De pigmentcellen in het voorste gedeelte van het oog vond hij steeds ongeveer de helft kleiner dan die der choroïdea. Van het pigment der lamina fusca geeft hij voortreffelijk de eigenaardige kenmerken op; het zijn, zegt hij, vierhoeken, vijfboeken, zeshoeken, dikwijls slechts opeenhoopingen van zwarte korreltjesom eene lichte plek, en de fantasie heeft vrije speelruimte om er zich kruisen, vliegende draken, loopende mannetjes enz. uit te maken. Zij vormen geen eigen vlies, maar liggen in het vnatrijk celweefsel begraven. Gottsche spreekt ook van een vervloeid pigment, dat echter slechts door vernietigingderpigmentcellenontstaanis. Ik moet mij aan Valentin aansluiten, waar hij zegt (Verlanf und Enden der Nerven, 1836, S. 43), dat er geene geïsoleerde pigment-kogeltjes gevonden worden, maar dat een vrij groot aantal derzelve steeds door een rond licht blaasje wordt omgeven. Daarentegen pleiten de boven medegedeelde chemische daadzaken niet voor zijne zienswijze, dat de pigment-kogeltjes droppels van olie of eene aanverwante stof konden zijn, die door teedere omhulsels zijn omgeven. In het Repertorium (1837, S. 246) merkt hij op, dat er in elk pigmenthoopje standvastig slechts één blaasje gevonden wordt; hij is echter ook daar noch aan de stof gedachtig, die de moleculen verbindt, noch aan het vlies, dat ze bij eene volkomen gevormde cel insluit. De beschrijving van Michaölis (Müller's Archiv, 1837, S. XXXVII) komt gedeeltelijk met die van Gottsche, gedeeltelijk met die van Langenbeck over-

Sluiten