Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook het bekende experiment te spreken, dat door Fourcroy is opgegeven, dat haren, tusschen twee vingers gerold, zich steeds naar ééne zijde en wel naar de punt toe voortschuiven. De ware oorzaak, zoowel der dwarsstrepen als der schuinsche anastomoses daar tusschen, is daarin gelegen, dat een overtreksel van kleine schubjes, welke met die der opperhuid overeenkomst bezitten, de vezels der haren van buiten omgeeft; de schubjes zijn kringvormig geplaatst, die der onderste laag, dat is van de laag, die het digtst bij den wortel geplaatst is, bedekken die der daarboven gelegene laag even als dakpannen, en zijn zoo digt opeen gedrongen, dat het geheele overtreksel de dikte van 5—4 schubjes heeft. Daarom is ook dikwijls het vezelig maaksel der bastzelfstandigheid niet tot aan den buitensten rand van het haar zigtbaar, maar de gekleurde bastzelfstandigheid wordt nog door een licht, schijnbaar structuurloos plaatje bedekt, dat hier en daar aan de kanten den rand vormt, terwijl zich de bastzelfstandigheid op eenen kleinen afstand aan de binnenzijde van dit plaatje vertoont. Door het haar met zamengedrongen zwavelzuur te behandelen, kan men de structuur van dit overtreksel duidelijk waarnemen; deszelfs lagen spreiden zich dan uiteen, het haar wordt aan den geheelen rand borstelig, doordien zich de bovenste vrije randen van elke laag naar buiten ombuigen. Wanneer het zwavelzuur bij voortduring blijft inwerken, dan wordt het overtreksel in lappen afgestooten en valt nu ter zijde van het haar op het glas neder, waarop zulke lappen dan het uitwendig voorkomen hebben van over elkander liggende dakpannen. Eindelijk scheiden zich de schubjes afzonderlijk af, vooral wanneer het haar eenigzins heen en weder wordt geschoven. Zij zijn volkomen waterhelder, met hoekige omtrekken. Meyer zag in enkele derzelve, inet name in de nabijheid van den wortel, eene celkern.

Op de plaats, waar de haarschacht de huid doorboort, is zij bovendien steeds door enkele, los aanhangende epidermis-plaatjes omgeven. Niet zelden komen er ook hooger hier en daar zulke plaatjes voor, en dan kan het, wanneer zij door het omwentelen of drukken der haren worden afgestooten, den schijn hebben, alsof zij afgestootene gedeelten van het eigenlijke overtreksel waren. Dit is echter zeer vast aan het haar verbonden; de genoemde epidermisplaatjes zijn slechts aan het haar bevestigd van den lijd af aan,

Sluiten