Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

korten tijd na het scheren dezelfde operatie nogmaals in het werk stelt. De schijven of korte haarcilinders, welke men op die wijze verkrijgt, zijn wel meestal zeer scheef afgesneden en om die reden onbruikbaar, maar er worden onder de massa van fragmenten toch steeds enkele gevonden, die zoo lijn zijn, dat zij zich op de eene afgesnedene vlakte nederleggen en de andere naar boven keeren. Indien het haar merg bevatte, kon men zien hoe dit merg, meer of minder regelmatig in eene kringvormige lijn ingesloten, even als eene kern het middelste gedeelte inneemt, en door een ring van een lichten en zeer fijn gestreeplen of korreligen bast omgeven is. In het segment van een eenigzins plat baardhaar, welks grootste doormeting 0,059"' en kleinste 0,041"'bedroeg, bezat het merg eene doormeting van 0,017"'. Maar ook als de mergzelfstandigheid ontbreekt, wordt er op de plaats, waar anders het merg gevonden wordt, op de dwarse doorsnede eene donkere lijn waargenomen , die met den buitensten omvang van het segment concentrisch loopt, en alleen de grens van het mergkanaal zijn kan. Dit is dan wel niet ledig, maar toch door eene slof ingenomen , die zich in uitwendig voorkomen van de zelfstandigheid van den bast onderscheidt, en doorschijnender en weeker schijnt te zijn. In sommige haren, met name in de fijne, ontbreekt somtijds de inergzelfslandigheid volkomen; inenigvuldiger ontbreekt zij in zeer groote gedeelten van het haar, en begint eerst op verren afstand van den wortel. Niet altijd is er merg in het onderste gedeelte van de haarschacht waar te nemen , en nooit in de punt.

Aan het bovenste gedeelte wordt de haarschacht dunner, oin in de punt over te gaan, nu eens langzaam, dan weder plotseling. Het einde is aan de langere haren werkelijk puntig, somtijds ook door eene of meerdere insnijdingen voor een klein gedeelte gespleten. (Aan de borstels gaat de splijting, zoo als bekend is, dikwijls ver naar beneden.) Aan de fijnere wolharen van het ligchaam is het bovenste uiteinde dikwijls even zoo dik als het ligchaam , en afgerond, waarschijnlijk nadat de punt er is afgebroken. Hier is het maaksel van de punt ook niet van dat der overige gedeelten van het haar onderscheiden. Wanneer het bovenste uiteinde zeer fijn wordt, b. v. aan de oogharen, gaan de golfvormige dwarslijnen, even als het merg, te niet, en de overlangsche strepen worden onduidelijk.

Sluiten