Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de conjunctiva, het darmkanaal, de galblaas, en ook binnen in liet ligchaam, liet menigvuldigst in de eijerstokken, inaar ook op andere plaatsen, ingesloten in vet- en blaasgezwellen, waarin zij op dezelfde wijze wortelen, als in de inwendige huid. Wanneer zij vrij liggen, mag men wel aannemen, dat zij de plaats, waarop zij gevormd zijn, hebben verlaten, als het ware uitgevallen zijn. Meckel in zijn Archiv, I, B22, volg. Eule, II, 598 volg.

liet kanaal, waaiin de haarschacht binnen in de cutis is ingegesloten, heeft eene schuinsche rigting, en dien ten gevolge gaat het zigtbaie haar niet op in de hoogte (alleen de oogharen maken eene uitzondering), maar buigt zich meer of min naar de huidoppervlakte , en wel in eene bepaalde rigting. Deze rigting laat zich bij embryonen zeer gemakkelijk en reeds door de rigting der haarzakjes herkennen, en is door Osiander (1), en nog naauwkeuriger door Esciiriciit (2), onderzocht. De haarzakjes zijn aanvankelijk vrij regelmatig in lijnen gerangschikt, waarin zij even als dakpannen tegen elkander aanliggen, zoodat de punt van den eenen haarzak den bodem van den voorafgaanden nagenoeg schijnt aan te raken. Deze lijnen loopen nergens volkomen regt, maar steeds meer ol minder gebogen, zoodat zij, bijeen gezien, figuren vormen, waaruit men als het ware stroomen, draaijingen en kruisen kan maken. De draaijingen zijn uitstroomingspunten, naar welke alle haren hunne wortels toekeeren, b. v. aan den schedel; de stroomen, welke van zulke punten uitgaan, zijn dubbele rijen van boogvormige en aan elkander evenwijdige lijnen , die met het eene uiteinde aan elkander raken; zij zijn nu eens convergerend, doordien de haren hunne punten naar de verbindingslijn toe keeren, dan weder divergerend, wanneer de haren met hunne punten van de verbindingslijn zijn afgekeerd. Van de vibrissae, zoo heeten de haren aan den ingang der slijmvliezen, staan de binnenste naar binnen, de buitenste naar buiten gekeerd. Op de oppervlakte van het ligchaam zijn de punten der haren gewoonlijk naar de sterk uitstekende deelen, ulna, tibia, wenkbraauwen, ruggegraat, toegekeerd ;

(1) Commenlat. Sucietat. regiae scient. Gülling. Vol. IV, 181G 18 Collina

1820, p. 109. ' b"

(2) Müuer's Archiv. 1837, S. 37 volg. Taf. Il[ V.

Sluiten