Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scherpere en donkere grenzen voorzien, steken aan de Janden met groote, afzonderlijke stukken uit, het gedeelte Tan het plaatje, hetwelk ze met elkander verbindt, wordt onduidelijker, en de kern begint te verdwijnen. Eindelijk verdwijnt elk spoor der oorspronkelijke cel; van eene kern is niets meer te zien, maar slechts donkere, strakke dunne vezels, die wel innig met elkander zamenhangen, maar zich toch in eene streek zoolang als de oorspronkelijke tafel geisoleerd laten herkennen. De pulpa der veder wordt, wanneer haar groei voltooid is, in de schacht ingesloten, verdroogt, en blijft als de ziel der veder achter.

Bij de insekten en anneliden, ook bij andere lagere dieren, komen haarvormige deelen voor, die takkig, van binnen veel eenvoudiger en misschien slechts uitwassen van enkele cellen zijn , en daarom met de haren der hoogere dieren slechts ten opzigte van den uitwendigen vorm overeenkomen.

Voor elk die een vergrootglas bezit, zijn in de eerste plaats de Laren een gemakkelijk verkrijgbaar, steeds toegankelijk en zindelijk object ter waarneming, en misschien is geen voorwerp zoo veelvuldig en naauwkeurig onderzocht, zonder dat evenwel deze onderzoekingen op de physiologische bewering eenen wezenlijken invloed hebben verkregen. Juister is bet, met MilriGui, het haar te vergelijken bij eene plant, die met haren wortel in de huid vat, dan wanneer men het als eene door de vaten eener levende matrix af- en uitgescheidene doode hoornstof beschouwt.

I100CK (Micrographia, 16Ö7, obs. 32, Tab. V, Fig. 2) beschreef bet eerst de naren als cilindrische of nagenoeg cilindrische draden, die aan de punt overlangs kunnen splijten; bij menschen schenen zij hem volkomen solide toe: bij paarden en katten merkte Iiij een kanaal in het midden op.

Leeuwenhoek (Opp. IV, 46 serp) heeft de vezelige structuur van den bast aan over angsche doorsneden van beeren- en menschenharen wel gezien en baar uit de vezel,ghcid der haren op de doorbraak opgemaakt; bij meent, dat elk haar uit eene menigte vau hoogst fijne haartjes zamengesteld is; van binnen zou er zoowel in zwarte als in blonde haren eene donkere streep of eene reeks van donkere vlekken voorkomen, die nagenoeg de halve breedte van het baar zou kunnen innemen. II,j stelt zich voor, dat het baar aanvankelijk met eene vloeibare zelfstandigheid gevuld is, die op sommige plaatsen verdampt, en lichte, met lucht gevulde blaasjes achterlaat, doch op andere plaatsen de donkere strepen vormt II,er en op eene andere plaats, na het onderzoek der horstels van zwijnen (T, J, P. 2, p. 32) verklaart hij zich tegen het aannemen eener mergzelfstandiVheid' daar het centrale kanaal niet bestendig en slechts toevallig door verdamping zou' ontstaan. Onder den bast, waarmede de haren, even als de hoornen, overtrokken zijn, wordt door hem eene buitenste, niet te praepareren lamelle verstaan De»

Sluiten