Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 180. Het lijdt bijna geen twijfel, dat in vele familiën een erfelijka aanleg tot croup schijnt te bestaan, daar bijna alle kinderen door deze ziekte aangedaan worden; wij gelooven, dezen aanleg in verband te moeten brengen met de door Albers, Jurine en anderen gemaakte opmerking, dat de scrophelzucht de voorbeschiktheid tot croup, waarschijnlijk door den overmaat van eiwit in de vochten, vermeerdert, en belangrijk is in dit opzigt de waarneming van Mattbaei en Gölis, dat kinderen, die aan daauwworm en hoofdzeer lijden, van croup zouden vrij blijven.

§ 187. Over de vraag of zwakkelijke kinderen vaker door deze ziekte worden aangedaan, dan sterke, laten zich de verschillend luidende gevoe-» lens der schrijvers niet vereenigen, en zoo lang de statistiek ons nog geene afdoende getallen levert, moeten wij eene gelijke verdeeling over de verschillende gestellen als waarschijnlijk aannemen.

§ 188. De croup komt in zuidelijke breedten veel zeldzamer voor, dan in noordelijke; hij is in vele streken endemisch en kiest bij voorkeur vochtige , moerassige streken, de oevers van rivieren en meeren, de zeekusten, diepe dalen, voornamelijk aan den voet van steile gebergten, de schaduwzijde van dalen. Welken invloed de vochtigheid op de verwekking van croup heeft, bewijst deszelfs veelvuldig opkomen na overstroomingen en de opmerking van Crawford, dat deze ziekte in de Schotsche moerasstreken, waar men haar vroeger zeer dikwijls aantrof, na het opdroogen der moerassen hoogst zeldzaam werd. Bekende vaste plaatsen voor den croup zijn da Hanzeesteden, de dalen van Zwitserland en Savoije, de aan de Zwitsersche meeren liggende steden, zoo als Genève, de kusten van Frankrijk, Engeland, Schotland, Holland enz., groote steden, zoo als Parijs, Weenen, de Oostelijke kusten van Noord-Amerika. In hoog liggende streken behoort de ziekte volgens Schöslein tot de zeldzaamheden. Ook in warmere landstreken, in Italië, Spanje, Barbados, Bombay wordt zij niet gemist.

§ 189- Het is kwalijk te gelooven, dat eene in hare verschijnselen zoo vreeselijke en in haren afloop zoo gevaarlijke ziekte als de croup, zoo hare verspreiding in vroegeren tijd met die van den tegenwoordigen gelijk geweest was, de opmerkzaamheid van onze ten opzigte van getrouwheid in het waarnemen zeker niet bij ons achterstaande voorgangers niet in eenen hoogen graad geboeid zou hebben, en de schrale opmerkingen der oudere schrijvers, die men ten gunste van het vroeger voorkomen dezer ziekte heeft willen uitleggen, bevatten voor ons geen genoegzaam bewijs, dat de ware croup veel ouder zou zijn, dan Ghisi's eerste berigten. Maar hetgeen nog meer daarvoor spreekt, dat de croup eene in onze eeuw te huis behoorende ziekte is, is de omstandigheid, dat sinds dit door Gmsi gegeven berigt de waarnemingen van croup en van epidemiën van denzelven in dezelfde mate veelvuldiger worden, als wij tot onzen tijd naderen, dat voorts de leeftijd van enkele geneesheeren voldoende is geweest, om eene onbetwijfelbare vermeerdering van croupgevallen waar te nemen (1).

(1) Zoo zegt ScnaiiDTMAiïN, dat in zijne woonplaats Melle bij Osnabröck de cronp vroege* volstrekt niet voorkwam, dat hij het eerste geval in 1795, het tweede in 1802 heeft waargenomen, maar dat de croup sinds 1811 snel de overhand genomen heeft, en in verscheidene kerspelen 20—-40 kinderen gedood heeft, en Gölis nam de volgende klimmende verhouding der cronpgevalleu ouder dc door hem behandelde zieke kinderen waar:

Sluiten