Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 190. Als opwekkende oorzaken werken in het algemeen dezelfde oorzakelijke punten, die verkoudheid of strottenhoofdsontsteking kunnen veroorzaken, zoo als verkoudirig dour ontblooting van denhals en van de borst, door togt, door de werking van ruwe Noorden- of Noordoosten winden | door onvoorzigtig afsnijden der haren in het ruwe jaargetijde , inspanning van de stemwerktuigen, door schreeuwen, loopen tegen den wind in, enz.°

§ 191. Dikwijls laten zulke gelegenheidsoorzaken zich niet opsporen, en het ontstaan van den croup schijnt óf alleen van zekere atmospherische'invloeden af te hangen, óf deze laatste werken met de bovengenoemde oorzaken gelijktijdig tot verwekking der ziekte mede. Men ziet den croup vaker in vochtige en koude, dan in heete en drooge tijden des jaars; plotselinge weersveranderingen begunstigen zijn verschijnen en de meeste geneesheeren stemmen daarin overeen, dat de winter, het begin der lente en de late herfst het grootste aantal van zieken van dien aard opleveren; vertoont zich croup in den zomer, dan volgen gewoonlijk vochtige avonden op heete dagen. Meest ziet men gelijktijdig bij volwassenen borstzinkingen, keelontstekingen, rheumatismen enz. heerschen.

§ 192. In de meeste gevallen komt de croup sporadisch voor; echter zijn er ook genoeg voorbeelden van epidemische verspreiding dezer ziekte (1). De epidemisch voorkomende croup neemt gewoonlijk deze eigenschap daardoor aan, dat hij zelf slechts het secundair voortbrengsel van een tot pandemische uitbreiding geneigd ziekteproces is. Het veelvuldigst ontwikkelt zich deze epidemische croup uit het diphtheritisch proces; de afzetting van het diphtheritisch voortbrengsel hegint gewoonlijk op het slijmvlies van het verhemelte, van het keelgat, van de mond- en neusholte, en spreidt zich van daar uit over het slijmvlies van het strottenhoofd en van de luchtwe-

®om Croup-

Ziektegevall. gevallen. Percenten.

1794—9G 6,957 — 0,000

1797—99 11,864 52 0,270

1800— 2 15,696 72 " 0,465

1805— 5 14,555 61 ~ 0,420

1806— 8 ~ 15,558 91 0,681 1809—11 15,855 199 1,459 1812—14 20,685 560 l/mT" 1814—17 21,758 ÏÜ 1,900 1818—19 13,950 iÖ8 1,500

Ook in Amerika vermeerderden de croupgevallen op dezelfde wijze, want te New-York «tierven aan croup m 1802=46, in 1804=70 en in 1806=106 individu» en in Philadelphia doodde bij in 1807=55 menschen (Eisembuih, die Krankheitsfamilie Pyra. Bd. i. S. 157). Andere hiertoe behoorende opgaven vindt men bij Coïlakd t. a. p. Bd. II. S. 478.

(1) Bij J. FaAHK (1. c. p. 120. Not. 62) vindt men eene opsomming der bekende croup-epidemiën naar tijdrekenkundige orde en met opgave der waarnemers, die ze beschreven hebb.n j bij J. FaAKK's opgave moet de in Arras waargenomene epidemie gevoegd worden, waar in hst 'ja : r 1823 van 17,000 rieken 908 croup kregen en 304 daaraan stierven,

Sluiten