Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verstikking dreigenden hoest, waarbij de borstkas zich dikwijls volkomen uitzet, ten bewijze, dat in de longen zelve geen hinderpaal voor de ademhaling aanwezig is. Dikwijls zijn de zieken heesch, zelfs stemmeloos; zij klagen vaak over pijn in het strottenhoofd, in de luchtpijp, in de luchtbuizen, over een gevoel, alsof er iets in de luchtpijp hangt, of zich op en neder beweegt, en zeggen, dat zij hunne ziekte kwijt zouden zijn, zoo het hun gelukte, dit vreemde ligchaam uit te drijven. Meest heeft de stem niets croupachtigs. Somwijlen is het slikken moeijelijk en vindt men bij het onderzoek van het slijmvlies der keel schijnvliezige uitzweeting op hetzelve.

Eindelijk werpen de zieken met slijmige of etterachtige fluimen eene meer of minder aanzienlijke hoeveelheid van gestolde stof van eene verschillende, soms weeke geleiachtige, soms taaijere hoedanigheid, uit, in welke men, wanneer men haar in water uitspreidt, eene talrijke op de luchtbuizen gelijkende vertakking bemerkt; dit zamengroeisel heeft vaak de lengte van verscheidene duimen, is wit, of geelwit, van de dikte van eene ganzenschacht tot die van eenen pink, heeft het aanzien van gestold eiwit of vezelstof en vertoont een weefsel van eènmiddelpuntige lagen; op de oppervlakte bemerkt men soms roodachtige, netvormige lijnen, die men niet voor bloedvaten kan houden; tegen scheikundige herkenningsmiddelen gedraagt deze stof zich even als eiwitstof. Dikwijls wordt dit zamengroeisel door enkel opschrapen der zieken en zonder bijzondere inspanning uitgeworpen, en de gezondheid is dikwijls op geene andere wijze gestoord ; maar dikwijls klimt ook de aamborstigheid tot eenen zeer hoogen graad , voordat de onder verstikkingsbenaauwdheid en koren plaatsgrijpende uitdrijving gelukt. Gewoonlijk voelt de zieke zich na zulk ophoesten zeer verligt; somwijlen wordt slechts eenmaal zulk een schijnvlies uitgeworpen en de genezing is daarmede voleindigd; in andere gevallen keert hel ophoesten van zulke zamengroeisels dikwijls terug, vooral tegen den morgen, of na koude en vochtig weder. Het uit de ader gelaten bloed bedekt zich gewoonlijk dadelijk met eene korst van vezelstof. In vele gevallen is het eigenaardig hoesten met vermagering , eenen harden, gespannen pols, gebrek aan eetlust, nachtzweet, kortom alle verschijnselen van hectische koorts gepaard.

§ 222. De luchtbuizen der geopende lijken vindt men met schijnvliezige lympha bekleed en opgevuld; de dikte der uitgezweete stof zou, volgens Louis, in de juiste evenredigheid van den duur der ziekte zijn.

Herkenning.

§ 223. Men moet van den croup der volwassenen het ophoesten van geronnene vezelstof, die, na bloedspuwing, van het in de luchtwegen uitgestort bloed nagebleven kan zijn, onderscheiden. Hetgeen voorafgegaan is en andere gelijktijdige verschijnselen laten zulk eene verwisseling niet toe; volgens Ciieyne hebben bovendien de door hem luchtbuispolypen genoemde zamengroeisels van den croup eene zuiverder witte kleur, verdeelen zich taksgewijs, hebben een laagsgewijs maaksel, zijn tamelijk vast, digt en soms buisvormig.

Moeijelijker is de herkenning van luchtpijpstering, daar de teringachtige

Sluiten