Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het luchtbuisademen, als wanneer men enkel met de lippen en het verhemelte (niet met het strottenhoofd); den (Dnitschen) medeklinker ch wilde uitspreken. Men maakt zich het duidelijkst denkbeeld van het celademen, wanneer men de horst van kinderen ausculteert, daar bij deze het geluid het luidst en duidelijkst hoorbaar is; — het luchtbuisademen leert" men kennen door het aanzetten van den stethoscoop op de luchtpijp, en de waarneming van het in dit kanaal verwekt ademhalingsgeruisch.

5 362. Op alle plaatsen der borst, waar men celademen hoort, is het onderste gedeelte van het longenweefsel of geheel of gedeeltelijk in de fijnste luchtbuistakjes en cellen voor de lucht toegankelijk. Gedeeltelijk zeggen wij, omdat dit celademen vaak nog voortbestaat, ofschoon het longenweefsel enEele verspreide tuberkels bevat, of lobulair ontstoken, gehepatiseerd is. Het celademen is daarom geenszins een onomstootelijk bewijs, dat het onderliggend gedeelte gezond is. In den natuurlijken toestand verwekt het celademen a een gedurende het oogenblik der inademing een geruisch; bij de uitademing hoort men niets, of slechts een ligt suizen of blazen; de celademinontbreekt, en alleen in de luchtbuizen en de luchtpijp hoort men het doorstrijken der naar buiten gedrevene lucht. Wiilums geeft hiervoor de volgende verklaring: u Bij de inademing is de lucht het bewegend ligchaam, dat door de huizen stroomend de long uitzet. Maar bij de uitademing is de long het ewegend ligchaam, dat door zijne door de uitwendige lucht ondersteunde zamentrekking de lijdelijke lucht uitdrijft. Bij de inademing ondervindt de met snelheid zich bewegende lucht den weerstand van de hoeken en zijden der buizen en cellen, die uitgezet moeten worden. Daarom moet bij den geheelen doortogt der lucht, van de neusgaten af tot in de luchtcellen toe, een geruisch ontstaan. Bij de uitademing begint daarentegen de beweging in de longen, en daar de lucht daarvoor slechts lijdelijk wijkt, is er noch berging, noch weerstand genoeg aanwezig, om een geruisch voort te brengen , totdat de kleine buizen weder ineenloopen, de uitgedrevene lucht in de groote buizen zich tot eenen stroom vereenigt, als wanneer zij tegen de wanden der buizen met nu weder verkregene snelheid aanslaande , eindelijk weder een geruisch voortbrengt." (1)

§ 363. Maar waarom hoort men het luchtbuisademen niet op alle plaatsen der borst even zoo goed als het celademen, daar de luchtbuistakken zich toch door het geheele weefsel der longen verdeelen? De luchtbuizen lig-en op de minste plaatsen oppervlakkig, meest zijn zij door eene betrekkelijk dikke laag van sponsachtig longweefsel bedekt; de uitzetting van dit laatste veroorzaakt een nader, het doorstrijken der lucht door de luchtbuizen een meer verwijderd, door het nader celademen bedekt geruisch. Het ei^en weefsel der longen als sponsachtige massa van eene zeer ongelijkmatige dofheid 1S een slechte geleider van het geluid en verhindert in die mate °m en natuurlijken toestand de voortplanting van het geruisch uit de dieper gelegene luchtbuizen. Men kan dus in den natuurlijken toestand de luchtbuisademhaling slechts op die plaatsen hooren, waar het geruisch in de oppervlakkiger liggende luchtbuistakken niet door zulk eene tusschenlaa» gedempt wordt ; dit is de inrigting, zoo als zij in de spits en den wortel 6r g' °P de met de eerste verdeeling der luchtpijp, den ingang der

(1) Torlesungen etc. S. 80.

Sluiten