Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 517. Of de bronchitis acuta wordt door de verschijnselen van neus-, keel- of luchtbuisverkoudheid voorafgegaan en deze laatste klimt van lieverlede tot den sjnochalen vochtstilstand, óf eene hevige ontstekingkoorts opent plotseling en bijna zonder voorboden de ziekte. De zieken klagen niet meer enkel o\er een gevoel van raauwheid en schrapen, maar over volheid, droogte, branden, benaauwing achter het borstbeen, somwijlen meer aan den eenen of aan den anderen kant van de borst. Het gevoel van belemmerde ademhaling is niet zoo groot, dat de zieken daardoor verhinderd worden, om, wanneer men het hun gebiedt, de geheele borst uit te zetten. Diep inademen, spreken, drinken, veroorzaken eenen eenigzins metaalachtig klingenden hoest, die, inzonderheid in de eerste dagen, wanneer de fluimlozing nog gering blijft, inspannend, pijnlijk en zeer schokkend is, zoodat de zieke zegt, dat hij de borst en het hoofd doet uiteen barsten; bij kinderen veroorzaakt de hevigheid van den hoest dikwijls braken ; vaak heeft de hoest een aanvalsgewijs karakter. De hoofdpijn, waarover de zieken klagen, heelt, voornamelijk hare zitplaats boven de oogkuilen. Da fluimlozing verschilt naar het tijdperk der luchtbuisontsteking. Aanvankelijk is de hoest droog, fluitend, liet ophoesten moeijelijk, de fluimen spaarzaam, taai. Tegen den deulen dag worden deze weiachtig, schuimend, half doorschijnend, somwijlen met bloed gestreept, zoutachtig van smaak. Van lieverlede worden de hoeststooten matiger en zeldzamer, zijn niet meer zoo pijnlijk: de ondoorschijnend , geelachtig en vast wordende fluimen worden rijkelijker en laten jigtei van de borst los. De kleverigheid der fluimen is een karakteristiek ^enteeken voor den graad der luchtbuis ontsteking; men kan eene verergenng der ontsteking aannemen, wanneer de fluimen op eens spaarzamer en taaijer worden, nadat zij deze eigenschappen reeds verloren hadden; en e\en*.oo mag men op spoedige verdeeling rekenen , wanneer de fluimen minder t.iai en 'vloeibaarder worden. Donr de auscultatie hoort men in het begin een raauw, dioog ademhalingsgeluid, in welks plaats spoedig een sterk, diep, toog reutelen oi fluiten opkomt, hetwelk vooral in het uitadeiningsbedrijf 1001^ aar is. Zoodra het slijmvlies vochtig wordt, neemt de rhonchus het arakter \an slijmreutelen aan, dat op verschillende wijzen met fluiten, norren enzi, vermengd is. Meest zijn deze geluiden van voren duidelijker dan van at lieren, en beneden dan boven hoorbaar; zij wisselen dikwijls van plaats en klank , zoodat na enkel ophoesten en uitwerpen of op verschillende tijden tan den dag het geluid opmerkelijke veranderingen ondergaat. Zeer zelden is net lijne celgeruisch van het ademen opgeheven, en dan slechts tijdelijk,

*'"n.eer a%escheidene stof eene hoofdluchtbuis toesluit en keert

dadelijk na het ophoesten terug.

$518. De koorts, die de acute luchtbuisontsteking begeleidt, is meest eret isch en door duidelijke nalatingen en verheffingen tegen den avond onderscheiden; op de hoogte der ziekte en bij bloedrijke voorwerpen kan zij et karaktei van sjnocha aannemen. Daar de acute luchtbuisontsteking slechts een hoogere graad van luchtbuisverkoudheid is, gaat ook deze graad van vochtsti.stand der luchtbuizen dikwijls met verder verbreide catarrhale aandoeningen van andere deelen des slijmvliesstelsels gepaard.

III. 2.

13

Sluiten