Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drukking op de borstkas vermeerderd en dikwijls zal de auscultatie kenteekenen voor de herkenning opleveren.

Oorzaken.

§ 592. De bronchiopneuinonie is vooral aan den leeftijd der zuigelingen tot aan het einde van het 2de levensjaar eigen , en eene der veelvuldigste ziekten van dit tijdperk (1); volgens Seii-ert sleept zij zelfs meer offers mede dan de croup en de heete bersenwaterzucht; ongelukkig wordt zij zeer dikwijls niet herkend, of miskend. De 8 laatste maanden van het eerste levensjaar begunstigen hare ontwikkeling het meest. Jongens worden vaker aangetast dan meisjes; volsappige kinderen meer dan zwakkelijke (2). Somtijds schijnt een erfelijke aanleg de ontwikkeling der ziekte te begunstigen. De ziekte koint vooral in den winter en in de eerste lentemaanden (3), bij vochtige, natkoude, zinkingachtige weersgesteldheid voor, zelfs wanneer de kinderen zich bestendig in de warme kamerlucht ophouden. Gedurende de influenza 1836—1837 zag Küttner haar bij kinderen vaak den vorm van bronchiopneumonie aannemen. Somwijlen verschijnt volgens Séifert de borstontsteking onder de kinderen als ontwikkelde zelfstandige epidemie. Dikwijls wordt zij door kinkhoest, of acute uitslagziekten, inzonderheid mazelen voortgebragt. Cruse rekent tot de gelegenheidsoorzaken verkouding en inzonderheid het inademen eener nevelige, vochtige, koude, aan electriciteit arme lucht.

$ 593. Küttner rangschikte de bronchiopneumonia infantilis onder de door' Aetenrietu als neuro-paralytische, door Scuönlêin als neurophlogosen bestempelde gewijzigde ontstekingsvormen en houdt haar voor eene met croup verwante, alleen in zitplaats verschillende ziekte; zij levert een verder bewijs voor het gevoelen, dat de ontsteking over het geheel door de organische en levenskrachtige eigenaardigheden van den kinderlijken leeftijd veranderingen in hare gedaante en beloop ondergaat, die echter naauwelijks voldoende zijn, om ze als eene van de eigenaardige ontsteking verschillende ziektefamilie af te zonderen.

Beloop en uitgangen.

(ji 594. In de door Küttner waargenomene gevallen was de kortste duur der behandeling 2, de langste 20 dagen; de gunstig eindigende gevallen waren doorgaande ten laatste op den 9den dag beslist, terwijl de doodelijk afloopende vaak tot den 14den dag voortsleepten. Crcse onderscheidt twee tijdperken der ziekte, een ontstekingachtig en een adjnamisch, waarvan het eerste vaak zeer korten tijd, slechts weinige dagen, in zeer acute gevallen slechts 12—36 uren duurt, en bij pasgeborenen zelfs somtijds schijnt te ontbreken; bij dqze laatste vaak snelle longenverlamming.

(1) Küttner nam haar waar tot het 5de levensjaar. Echter behoorden twee derde gedeelten der door hem waargenomene gevallen tot den leeftijd van 9 maanden tot aan het slot van het tweede levensjaar.

(2) Het tegendeel wordt door Becquerei beweerd, wiens waarnemingen echter alleen meisjes boven de twee jaren aangingen.

(3) | der door Küttner waargenomen gevallen komen in de maanden Jannarij tot Mei voor; in de zomermaanden is de ziekte het zeldzaamst.

Sluiten