Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich, die van vloeibaren etter slechts door hare lijvigheid verschilt; in dezen graad der ettering wordt het longweefsel gedurig meer verweekt en verwoest, zoodat eindelijk na het uitdrukken van den etter slechts nog wijde mazen daarvan overblijven. In zeldzame gevallen kan men den etter tot in de kleine vertakkingen der longslagader vervolgen (Asdrai."). De loiigetter is gemeenlijk reukeloos of riekt slechts flaauw. In de van zwarte kleurstof rijkelijk voorziene longen komt in dit tijdperk door het afsteken der gele vlekken hij de zwarte stof het granietachtig aanzien sterk uit; bij zulke individus ziet dan ook de afvloeijende etter door het bijmengsel van zwarte kleurstof vuil grijs. In de luchtbuizen vindt men tot in hare kleinste vertakkingen een roodachtig, kleverig, slijmig vocht, of etterachtige uitgezweete stof.

§ 610. Terwijl men vroeger zeer bereidwillig was; den uitgang der longontsteking in abscescorming aan te nemen, komt den onsterfelijken Laensec de verdienste toe, dat hij deze dwaling weggeruimd en getoond heeft, dat de vomicae der ouden meestendeels verweekte tuberkelholten , etterophoopingen in de zakken van verwijde luchtbuizen, etterverzamelingen door aderontsteking waren, of dat de ontlasting van etter uit de borstvliesholte door de luchtbuizen, nadat de doorboring der long had plaats gehad, tot het aannemen van eene vomica aanleiding gaf. Bij Rasse (1) vindt men de literatuur der zeldzame tot dusver waargenomene gevallen van ware, door longontsteking ontstane longabscessen verzameld. »Ik herinner mij niet," zegt Elliotson, «meer dan twee malen een longabsces te hebben gezien, dat door ontsteking ontstaan was; de abscessen , die ik gezien heb, waren klein en vol, alsot zij uit eenige tuberkels ontstaan waren, die zich voor de ontsteking gevormd hadden." (Vorles. üb. spec. Path. u. Ther. etc. S. 504.)

§ 611. Welke is de oorzaak, dat dit zoo zeldzaam gebeurt, daar toch de ettering in de longen niet zoo zeer ongewoon is? Zullen er zich in een deel gemakkelijk abscessen vormen, dan moet deszelfs vormingsweefsel los zijn, zoodat de in het vormingsweefsel hier en daar nedergelegde etterdroppeltjes deszelfs vezelen gemakkelijk kunnen uiteendringeïi en in eene gemeenschappelijke holte zamenvloeijen. -Dit vereischte ontbreekt in de longen. Het celweefsel tusschen de luchtblaasjes van het longweefsel is zeer strak en al wordt het ook van lieverlede met etter doordrongen, zoo moet het toch eerst geheel verweekt, verwoest, in eene etterachtige pap veranderd zijn, zoo deze afgescheidene etterende plaatsen in een zullen vloeijen; eer die verwoesting zoo ver kan gaan heeft gemeenlijk de uitgestrekte ontsteking reeds eenen doodelijken uitgang genomen. Alleen wanneer de ontsteking plaatselijk is geweest, gaat zij soms in abscesvorming over, en het dunkt mij waarschijnlijk, dat in dit geval eene abscesholte zich juist zoo vormt door het verbreken van het brooze weefsel als men met den vinger kunstmatig eene etter, holte in de tot brei verweekte long kan drukken. Deze meening heeft te meer voor, omdat ook Rokitassky aanmerkt, dat deze abscessen volkomen op die etterverzamelingen gelijken , die men bij eene onvoorzigtige behandeling eener in het tijdperk van etterachtige infiltratie verkeerende long door drukking kan te weeg brengen (2). Het zijn holten, die eenen omvang ter

(t) T. a. p. 296. (I) T. a. p. 94.

Sluiten