Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer of minder van de gestolde stof op en bereidt aldus de opslorping voor Hoeveel voor opslorping geschikt is, hangt ook weder van de natuurkundige hoedanigheid der gestolde stof en der oplossende vloeistof af. Van den anderen kant is de opslorping alleen mogelijk, wanneer de met de uitzweeting in aanraking komende vlakten niet volkomen ontaard zijn. De vloeibare uitzweeting kan door schijnvliezen afgescheiden zijn en soms zonder grooten hinder voor den lijder jaren lang op eene hoogte blijven bestaan. Het overschot van de stolbare uitzweeting, dat niet opgelost, opgeslorpt, verteerd wordt, begint door vaatvorming zich te bewerktuigen en verandert in celweefsel. De nieuwe vaten van het slijmvlies zijn waarschijnlijk altijd verlengsels van de vaten van het weivlies en vertakken zich op vele punten deels stervormig, deels in bosgewijze groepen. Dikwijls vormen zich op het weivl.es zeer kleine roode wratjes, uitspruitende vaatlissen, die in daarmede overeenkomende groefjes van het schijnvlies indringen en op deszelfs naar het borstvlies gekeerde vlakte kleine boomsgewijze of stervormige uitzweetingen voortbrengen; de bloedroode vertakkingen van eenen groven vorm en met eenen met bloed doortrokkenen omtrek zijn veel dikker dan de bloedstroompjes zelve (1). De nablijvende vergroeijingen bestaan uit meer of minder dikke lagen celweefsel met een dun overtreksel van epitheliumcellen; door de beweging der longen en ribben kunnen de strengvormiee aanhechtingen uitgerekt, gekneld, hierdoor van lieverlede verdund worden en zelfs scheuren. Vet, aardachtige zouten kunnen zich in de uitgezweete massa afzetten; bijzonder ligt verbeenen de schijnvliezen van het ribbenvlies (misschien mt hoofde van de nabijheid der ribben?). De stolbare uitzweetim* en de schijnvliezen zij» ook vatbaar voor tuberculeuse verandering; deze komt volgens Hasse in de gedaante van witte, in vastheid en kleur duidelijk van de overige massa verschillende, vlakke korreltjes voor; men vindt in al zulke gevallen gelijktijdig versch gevormde en oude tuberkels in andere deelen en met name in de longen (2)

Heelt de zamendrukking der long door de uitzweeting niet lang geduurd dan kan zich haar weefsel naar evenredigheid van de opslorping der vloeistof weder uitzetten. Dikwijls verhinderen vergroeijingen door schijnvliezen hare uitzetting. De drukking van den dampkring, de' verlamming des miden der tusschenribspieren, de neiging der zoo lang aan eenen toestand van gewelddadige uitrekking onderworpene deelen om in te schrompelen , bewerken wanneer de tegenstand der uitgezweete stof verwijderd is het inzakken en eene blijvende vernaauwing der borstkas; de sterkste ver naauwing komt gewoonlijk op de hoogte van de 6de tot de 8ste rib voor de zijwand is van de okselholte naar de ribbenwanden toe als'het ware uitgehold; de ribben komen nader tot elkander, totdat zij raken, de schouder en de tepel staan lager; de spieren van deze borsthelft vermagertn de tusschenribbige spieren schrompelen ineen en worden zelfs in een celachtig vezelig weefsel veranderd; de ruggegraat kromt zich naar de zieke zijdede lendenstreek wordt de zitplaats eener met de kromming van den ru" overeenkomstige afwijking. Gok is eene gedeeltelijke vernaauwing van de

(1) Terg. Hasse t. a. p. S. 249 volgg.

(2) T. a. p. S. 244,

Sluiten