Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is bijna zonder uitzondering bloeding der haarvaten. Gewoonlijk -vindt men in het lijk de luchtpijpstakken met vloeibaar, schuimend of met gestold bloed gevuld, waaruit zich de vezelstof dikwijls als een witgrijs stremsel op de oppervlakte heeft afgescheiden; het met bloed doortrokken slijmvlies donkerrood gekleurd, bij drukking bloedend, losser van weefsel; in yele gevallen is het niet eens rood, maar veeleer bleek of slechts ligt rozenrood, gelijk men dit ook bij bloeding yan andere slijmvliezen waarneemt (1). Volgens Gesdrih (2) dringt het in de grootere luchtbuizen uitgestort bloed niet in de kleinere luchtbuistakken, maar klimt naar gelang het zich ophoopt, tot de grootere luchtbuistakken op. Daarentegen zijn, volgens Rokitahsky (3), de longen door het naar de luchtbuiseinden en longbuisjes afgezakt bloed donker- of helderrood gevlekt, en daarbij ten gevolge van de daardoor teweeg gebragte verstopping der luchtbuizen en de verhinderde uitademing, emphjsemateus opgezet en bleek. Ook komt niet zelden zuchtige zwelling van het longweefsel in de lijken van bloedspuwers voor. Somwijlen mist men na bloeding uit de luchtbuizen alle zigtbare verandering der weefsels.

§ 870. Deze ■veranderingen blijven in alle soorten van bloeding uit de luchtbuizen vrij wel gelijk. Variceuse uitzetting der vaten van het luchtbuisslijmvlies of der longaderen, zoo als die door velen beschreven zijn, hebben Laeksec en Gesdrij nooit gezien. De veelvuldigste soort van bloedspuwing , die het gevolg is van tuberkelzucht, is gewoonlijk slechts capillaire doorzweeting van bloed op het slijmvlies der luchtbuizen, te weeg gebragt door de gedeeltelijke ontoegankelijkheid der longvaten, die de meer of minder snel in het weefsel afgezette stof van vreemde vorming doet ontstaan. Tuberkelholten zijn dikwijls vol van meer of minder geronnen, of met etter en tuberkelmassa gemengd bloed; maar zeer zelden kan men gescheurde vaten als de bron dezer bloedingen aantoonen; Andral werpt dus de vraag op, of de bloeding het gevolg van uitwaseming op de oppervlakte van de wanden der holte is (4). Als een ontleedkundig kenmerk van scorbutische bloeding voert Hasse de violetkleurige vochtdoordringing van het luchtbuisslijmvlies en een aanzienlijke stilstand van dun vloeibaar bloed in het longweefsel zelf aan (5).

Herhaalt de bloeding zich vaker dan wordt, volgens Hasse (6), het longweefsel zwaarder, donkerder gekleurd, saprijker; zijn los, celachtig maaksel door verdikking der tusschenwanden minder duidelijk te onderscheiden; het Llaam\ achtig rood luchtbuisslijmvlies wordt minder glad en doorschijnend.

$ 871. Van de bloeding der luchtbuizen verschilt de uitstorting van bloed in het longweefsel, niet of zonder verscheuring der weefsels (7). Dezen toe-

(1) A-YDOal , Cliniijue médicale. II. 152.

(2) t. a. p. p. 111.

(3) t. a. p. p. 17.

(4) t. a. p. p. 142.

(5) t. a. p. p. 515.

(6) t. a. p. p. 515.

(7) Hasse onderscheidt de uitstorting van bloed uit de longblaasjes (Apoplexie iu eeneu suikeren zin) en de longbloeding (pneumorrhagie) door werkelijke verscheuring der weefsels.

Sluiten