Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van verdorde tuberkels en tuberkelholten, met wier in- en uitwendige teekenen men ze gelijktijdig aantreft.

g 1036. De verschijnselen der longsteenen zijn geene andere dan die van slepende luchtbuis- of longontsteking of van longtering, soms met bloedhoesten , en meer of minder sterk ophoesten van stukjes dezer zamengroeisels ; uit dit laatste teeken alleen zijn zij bij het leven te herkennen; men heeft echter de verkalking der longen reeds bij personen gevonden, die volkomen vrij ademden. Dikwijls verbetert zich de belemmerde ademhaling des lijders na het uitwerpen der zamengroeisels.

§ 1037. De theorie, volgens welke deze longsteenen zich uit het inademen van stuivende deeltjes (bij molenaars, metzelaars, beeldhouwers enz.) zouden ontwikkelen, is omvergeworpen, sints door Laennec aangetoond is, dat die zamengroeisels in hunne zamenstelling geene overeenkomst hebben met het ingeademd stof. Of echter deze bewering algemeen juist is, blijft nög de vraag. Tuberkelzucht en de veranderingen in den gevorderden ouderdom zijn de voornaamste oorzaken der longsteenen; een jichtige aanleg heeft vaak deel aan hun ontstaan.

<jj 1038. De behandeling is meest slechts symptomatisch. Bestaat er een jichtige aanleg, dan gaat men dezen met steenbrekende middelen, met oplossende minerale wateren tegen. De luchtbuisontsteking, longontsteking en longbloeding, die de aanwezigheid van longsteenen kan begeleiden, wordt volgens bekende regelen behandeld.

§ 1039. Kraakbeenachtige en beenachtige vormsels komen op het borstvlies voor, meest als veranderde ontwikkeling van schijnvliezige uitzweetsels.

VIII.

INGEWANDSWOKMEK.

WATERBLAZEN VAN DE LONGEN EN VAN HET BOBSTVLIES; (ACEPÜALOCYSTEN DER LONGEN).

Zie waarnemingen van waterblazen in de longen bij Laennec, Andral, t. a. p. Verg. voorts Rokitanskï , ïïasse, t. a. p.

§ 1040. Zoo menigvuldig als de longtuberkel is, zoo zelden is in het longweefsel de icaterblaas (hydatidé), teil bewijze tegen de theorie, die de luberkels uit hydatiden laat ontstaan. Andral en Mohr hebben twee gevallen van het gelijktijdig voorkomen dezer beide ontaardingen waargenomen. Meestal is het longweefsel de zitplaats van den zak der acephalocysten; zeldzamer vindt men hem in de borstvliesholte, tusschen het borstvlies en de ribben. Andral vond eens waterblazen in de longaderen. Zij nemen evenzeer de benedenste als de bovenste longkwabben in, verschillen van de grootte van eene boon tot die van eene vuist, verdringen van rondsom het naburig longweefsel, en kunnen zelfs eenen geheelen longvleugel aantasten. Dikwijls oefenen zij gemeenschap met de luchtbuizen of de borst-

Sluiten