Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blijfselen van aardachtige zouten uit tuberkels, wier vloeibare en dierlijke bestanddeelen door opslorping zijn verdwenen; dikwijls hebben deze tuberkels de hoedanigheid van vochtig krijt, of er legt zich slechts eene uitwendige korst om de in het midden van lieverlede uitdroogende verweekte pap van den tuberkel heen. Het zamengroeisel is naar de hevigheid en uitbreiding van de voorafgegane ontstekingachtige terugwerking in het omringend weefsel door eenen meer of minder diglen zak en door ondoordringbaar longweefsel ingesloten. Maar ook de holten genezen door verkalking, doordien zij met aardachtige zouten langzamerhand opgevuld worden, het weefsel deiwanden ontstekingachtig verhard wordt en eenen zak rondom het zamengroeisel vormt; dikwijls vindt men zulke zamengroeisels, met weekere tuberkelstof gemengd, losliggend in de van rondom als een likteeken zamengetrokkene holte. Een ander overblijfsel van de genezing der holten zijn: b) de likteekenen, die men gemeenlijk in de spits der long vindt. Verdooft de tuberculeuse kwaadsappigheid en wordtin het weefsel, dat de holte insluit, geene versche tuberkelstof, maar eene tot gezonde voeding dienstige vormingsstof afgezet, dan verandert de terugwerking het zamengedrongen longweefsel in een celachtig, celachtig-vezelig likteekenweefsel, de inhoud der holte wordt opgeslorpt, deze trekt zich zamen, en verdwijnt geheel , doordat zij met eene celachtig-vezelige zelfstandigheid gevuld wordt, of de holte blijft open en wordt eene lijdelijke holte, wier inwendige vlakte met een glad weivlies bekleed is en met slijm of krijtachtige massa kan gevuld zijn. Niet zelden heeft er bloeding in deze lijdelijke holten plaats door verscheuring der in de wanden der holte loopende nog opene grootere vaten. Eindelijk kunnen zich in de likteeken-zelfstandigheid aardachtige deelen afzetten , het likteekenweefsel neemt eene beenachtige hoedanigheid aan. De likteekenen zijn of dik en rondachtig, of lijnvormig, vlak; de luchtbuizen in hunne nabuurschap zijn gesloten; het longweefsel in de nabijheid is ingezonken en vertoont naar de likteekenen toe eene verdieping en plooi; op de oppervlakte hangt het meestal vast met het verdikt borstvlies zamen; in dezelfde mate zakt de borstkas op de daarmede overeenkomende plaats (meestal in de sleutelbeensstreek) in en vertoont aldaar eene plattere of groefsgewijze verdieping (1).

§ 1057. Gedurende het genezingsproces zet zich in den omtrek van verkalkte tuberkels en tot likteekenen overgegane holten eene groote hoeveelheid zwarte kleurstof af, die naar IIasse slechts in die meer zeldzame gevallen in geringere hoeveelheid of volstrekt niet voorkomt, waar de genezing door verkalking bij jeugdige individus plaats greep; dikwijls vindt men de zwarte stof zelfs binnen in de krijtachtige massas.

§ 1058. Velerlei ziekelijke veranderingen komen gelijktijdig met de tuberkelzucht der longen in andere deelen voor: pleuritische aangroeijingen (2),

(1) ElLIOTSOK herinnert, dat men niet eiken indruk op de oppervlakte der long voor een likteeken moet houden; dergelijke indrukselèn met eene vlakke verheffing rondom dezelve vindt men, volgens hem, dikwijls op de oppervlakte der lever, en bij eene insnijding vindt men de zelfstandigheid der lever tegennatuurlijk gekleurd, zonder dat er verzwering of ettering is voorafgegaan. Hij leidt deze veranderingen van ontsteking van het weivlies af.

(2) Zij komen ten minste aan de spits der long zoo bestendig voor, dat Hasse binnen 4 jaren slechts 3 gevallen van longtering heeft gezien , waarin zij ontbraken (t. a. p. Bd. I. S. 445).

Sluiten