Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zuchtigen dikwijls slechts uit helder speekselachtig, schuimend luchtbuisslijm. Het is een zeer bedenkelijk, en het vermoeden van tuberkelzucht in eenen hoogen graad verwekkend verschijnsel f wanneer bij hardnekkigen hoest en koorts de fluimen langen tijd het raauw karakter als van acute luchtbuisontsteking blijven houden. Later vindt men somwijlen vlokken, brokkelige, kleine, kaasachtige korrels of strepen in het slijm (1); eindelijk wordt dit etterachtig; de fluimen hebben nu het aanzien van melkwei, in dezelve zakken dikkere ronde of vlakke afgescheidene plekjes, aschgraauwe klompen op den bodem, of de etter vloeit ineen, is wit, geel, groen, rood, dikwijls aschvaal, met bloed gestreept, met helderder strepen doormengd, soms zonder reuk en smaak, soms zeer stinkend. De fluimen nemen ligt een stinkenden reuk in het laatste tijdperk der longtering aan, wanneer de wanden der holten koudvurig zijn geworden. Dikwijls vindt men in de fluimen deiteringzieken bruinachtige draden en vlokken zwemmen en kleine op het gevoel steenachtige of kraakbeenachtige deeltjes; somwijlen croupachtige vliezen. De hoeveelheid der fluimen verschilt, zij bedraagt gemeenlijk verscheidene oneen in de 24 uren, somtijds zelfs ponden; dikwijls is zij onbeduidend. De zieken hoesten de fluimen vaak zonder eenige moeite, zonder hoest, bijna enkel opschrapend , op, vooral des morgens, en gelooven, uithoofde van de gemakkelijkheid waarmede het ophoesten gaat, werkelijk op den weg tot beterschap te zijn. Somwijlen ontlast zich plotseling eene gevulde holte, een groote verweekte tuberkel, wanneer de zieken zich bewegen, op eene andere zijde gaan liggen. Dikwijls gevoelen de lijders verligting na het ledigen van zulk eene holte; de fluimlozing en de koorts laten zelfs een weinig na; gemeenlijk duurt dit gevoel van beterschap slechts weinige dagen, maar soms ook langer, zelfs.maanden en jaren (2). Ook komen er weder zeldzame gevallen voor, waarin gedurende het geheele beloop der ziekte de fluimlozing ontbreekt en de fluimen slechts uit kleurloos slijm bestaan; somtijds komt zij eerst kort voor den dood op; dikwijls staat de verwoesting der longen in geene evenredigheid tot de hoeveelheid van de fluimen. Plotselinge onderdrukking der fluimlozing met gelijktijdige verergering der overige verschijnselen en zinken der krachten heeft eene zeer bedenkelijke voorbeteekenis en verkondigt eenen spoedig doodelijken afloop. Met het opkomen van den colliquativen doorloop neemt gemeenlijk de hoeveelheid van de fluimlozing af, of deze staat onder het gevoel van groote benaauwdheid geheel stil.

(1) Er is reeds aangemerkt, dat deze korreltjes niet altijd tuberkelkorrels zijn, maar ook wijnsteen van de tanden of eene kalkachtige stof uit de amandelen kunnen zijn. Laenneg wil deze laatste daardoor onderscheiden, dat zij gekneusd, zeer stinkend zijn en, wanneer zij op het papier aan de warmte blootgesteld worden, vetvlekken nalaten. Scuaelad kookt de fluimen met gelijke deelen zwavelzuur en water of met koolzure potasch iu eene glazen buis; het geringste spoor van verweekte tuberkelmassa zou onopgelost, als een witgrijs, in bijtende potasch oplosbaar bezinksel nablijven en microscopisch uit korreltjes bestaan (t. a. p. S 121 volgg.),

(2) Laennec maakt de aanmerking, dat na de volledige'verweeking der primair afgezette tuberkelmassas, die zich door het holtereutelen en holteademen aankondigt, gemeenlijk zulk eene beterschap plaats grijpt, en dat de verergering veelal eerst weder verschijnt, wanneer er secundaire afzetting van tuberkels volgt; blijft de beterschap stand houden, dan is dit aan het ontbreken van secundaire tuberkeluitbotting toe te schrijven.

Sluiten