Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overtuigen, dat de door hem beschrevene schurfttering in een noodzakelijk verband staat met de schurft, of iets eigenaardigs in haar beloop, in het lijk vertoond heeft. De gevallen, waarvan Wirth en Röscn spreken, zijn evenmin bewijzend. .

§ 1117. Met stoornissen van den stondenvloed staat de tuberkelzucht deilongen dikwijls in een oorzakelijk verband; wij twijfelen niet aan een of ander aandeel, dat de onregelmatigheid der stonden aan het ontstaan der tering kan hebben, maar hier is ook wederom het hoe en hoeveel in het duister gehuld. In een ligchaam met aanleg tot tuberkels en met reeds verborgene tuberkels kan elke stoornis van het gezonde evenwigt, dus ook de onderdrukking en onregelmatigheid der stonden, het ophouden van de maandelijksche zuivering in de climacterische jaren, het openlijk uitbarsten der kiemende ziekte te weeg brengen; maar de tuberkelzucht kan zelve ook oorzaak van de stoornis der stonden zijn; het post hoe is nog niet het propter hoe; bij teringachtige meisjes en vrouwen, uit welke oorzaak de tering ook ontstaan is, houdt de stondenafscheiding ook gemeenlijk op, De tering kan bij volbloedige, aan ontbrekenden stondenvloed lijdende vrouwen uit bloedovervulling der long, longontsteking, na hevig bloedspuwen ontwikkeld worden ; zij kan even goed bij bleekzuchtigen ontstaan (phthisis chlorotica der schrijvers). Maar om de tegenstrijdigheden volledig te maken, zien wij vele individus ten gevolge van opgestopten stondenvloed tientallen jaren aan periodiek bloedspuwen lijden, zonder dat er tuberkelzucht of tering ontstaat; wij zien de ergste gevallen van bleekzucht zonder overgang in tering. Wie lost deze raadsels op ? Kan men aannemen, dat het ter uitscheiding bestemd stondenbloed zich in het longweefsel nederzet en den menstruaal-tuberkel vormt? Wie geeft ons het bewijs daarvoor?

§ 1118. Ook heeft men aan de menstruaaltering eene eigene groep van verschijnselen toegekend. Volgens Schonlein eerst stondenkolijk, maagpijn, oprispingen, braken, somtijds zelfs bloedbraken; reeds na weinige dagen klimt de aandoening naar de borst op: kortademigheid, hartklopping, hoest met bloedopgeven, koorts. Deze verschijnselen duren 3—4 dagen, verdwijnen weder en keeren eerst na 4 weken terug. Hoe vaker die aanvallen zich herhalen , des te korter worden de tusschentijden, des te langer duren de borstverschijnselen; eindelijk worden deze standhoudend en verheffen zich alleen nog op dien tijd, op welken anders de stonden verschenen. Dikwijls neemt de ziekte een acuut beloop. Bloedspuwingen zouden in deze soort van tering dikwijls aanzienlijk zijn. Iets krampachtigs zou zich volgens Aotenrieth bij het geheele beloop der ziekte mengen en zich in het aanvalsgewijs zeer hevig hoesten, in periodieke benaauwdheden, maag-, baarmoederkrampen openbaren. Van bleekzuchtige vrouwen worden vooral die ligt door tering aangetast, welke zich door eene groot,e,bewegelijkheid en prikkelbaarheid van het vaat- en zenuwstelsel (erethischen of floriden klierzieken habitus ?) onderscheiden.

§ 1119. Alles wat van de betrekking der stoornissen in den stondenvloed tot het ontstaan van de tuberkelzucht der longen gezegd is, geldt ook omtrent den ziekteverwekkenden invloed van de stoornis der kraamafscheidingen, vooral der kraamzuivering, na zware verlossingen en kraambedden, na miskraam, omtrent de ziekte in quaestie; hier gelijk ginds, bestaat dezelfde

Sluiten