Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neembaar. De verwekking van den hartstoot is op velerlei wijzen veiklaard (1). Zijn mechanismus is zamengesteld en zoowel de zaraentrekking der spierzelfstandigheid, ais ook de stoot van het in- en uitstroomend bloed hebben deel aan den aanstoot van het hart.

grijpt, kan de beweging van de punt van het hart naar voren en gevolgelijk het aanslaan daarvan tegen den horstmand worden toegeschreven. Het hart wordt gedurende de zamentrekking der kamers met naar voren geslingerd. De uitzetting der kamers heeft woest, bliksemsnel plaats; op het eerste aanzien schijnt het, alsof zij de active beweging van het hart uitmaakt (dat ook misschien Bitrdacji tot dit gevoelen zal gebragt hebben); de uitzetting der kamers gaat met eene beweging gepaard, waardoor het hart naar beneden geslingerd wordt enz." (Phimpp's JahresbeIricht über Krankh. der Respir. Org. 1841. S. 36).

(1) Men heeft den hartstoot uit eene verlenging der kamers gedurende hunne zamentrekking laten ontstaan (Vesalius, Wiüslow), waartegen hetgeen men bij levend geopende dieren ziet spreekt. SïKAC leidde het aanslaan van het hart van de uitzetting der slagaderen door het bloed bij de zamentrekking der kamers, van de opvulling der boezems ter zelfder tiid, van de uitstrekking van den boog der aorta door den aandrang des bloeds af. Deze beschouwing is verkeerd, daar de aortaboog zich geenszins strekt, omdat de drukking der vloeistof op alle wanden van dé buis even sterk, en ook uit hoofde van de bevestiging der aorta zulk eene uitstrekking onmogelijk is. Volgens Hope dienen de gedurende de zamentrekking der kamers gevulde boezems en slagaderoorsprongen, als het ware, tot steunpunten voor de snel naar boven springende beweging van de spits van het hart, die door middel van de zamentrekking der van de aorta en de longslagader naar het hgebaam der kamer toe gespannen vezelen bewerkt wordt. Het is echter niet denkbaar, dat de gevulde boezems genoeg weirstand bieden, om als steunpunten dezer hefboomsbeweging beschouwd te kunnen worden. Volgens Fuiios vormen de buitenste vezelen der linker hartkamer eene spiraal, daar zij van haar bevestigingspunt aan de grondvlakte van het hart af van de regter naar de Imker zijde en van boven naar beneden naar de spits van het hart loopen; de zamentrekking dezer vezelen is volgens hem alleen de oorzaak van de opheffing en voorwaartsslingering van de spits van het hart. Ofschoon Skoda uit deze inrigting der spiervezelen alleen alle verschijnselen van den hartstoot niet verklaarbaar vindt, is hij toch geneigd, om haar eenig aandeel daaraan toe te kennen. Ook stemmen hiermede de waarnemingen van Cr«veuhier en KuascHHER over de spiraalsgewijze beweging van het hart overeen. De GutbrodSkoda sche theorie, volgens welke de hartstoot door den terugstoot van het slechts naar eenen kant vrij uitstroomend bloed op dezelfde wijze zou ontstaan, als de beweging van het Segnersch rad, het terugstooten van schietgeweer, is door Kürschmer voldoende wederlegd: terwijl het hart door zijne zamentrekking zelf eene drukking op de vloeistoffen uitoefent, wordt de drukking, die het bloed op de wanden uitoefent, ten minste opgewogen, en evenmin als het ligchaam van eene spuit bij het uitdrukken van het vocht door den stempel teruggedreven wordt, kan hier de uitdrijvende wand van het hart worden teruggedreven; bovendien stroomt het bloed niet in eene vrije ruimte, maar in eene weder met bloed gevulde buis uit enz. Bead schrijft de beweging van de hartspits naar beneden en naar voren aan den stoot van hel snel in de hartkamer uitstroomend bloed en de hevigheid van de zamentrekking der boezems toe; dit gevoelen is verkeerd, omdat de hartstoot gelijktijdig is met de zamentrekking der kamers. Volgens Kürschher hangt de hartstoot enkel en alleen van de verheffing der hartspits bij de zamentrekking der kamers af en het rijzen en dalen van de hartspits zelf is afhankelijk van het in- en uitstroomen des bloeds. » Het hart is met zijne grondvlakte aan de boezems en groote slagaderen bevestigd en met de splts vrij. De rigting, waarin het bloed in- en uitstroomt, bepaalt ook de rigting der beweging van de vrije spits, zco als zich dit met inspuitingen laat bewijzen. Stroomt het bloed uit de boezems in de anders gesloten kamers, dan wordt de hartspits van de borstwanden verwijderd en naar de wervelkolom toe naar beneden gedrukt. Is de gemeenschap door de ontwikkeling der aderlijke klapvliezen bij de zamentrekking opgeheven, dan moet het hart, van de drukking ues bloeds bevrijd, zich reeds van zelf naar het ander punt van bevestiging aan de

Sluiten