Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegenstrijdige werkingen zijn begrijpelijk, zoodra men bedenkt, dat bij een niet geheel verstompt zenuwstelsel iedere kunstmatig voortgebragte bloedeloosheid eene vermeerderde prikkelbaarheid en daardoor verhoogde werkzaamheid van het hart na zich sleept.

§ 130. Hoe laat de voortgang der ziekte zich het zekerst beperken, hoe kan men hare gevolgen het zekerst voorkomen. Voornamelijk komt hier het gestel des lijders in aanmerking. Overmatige verzwakking , hetzij door bloedverlies, vochtontlastingen, hetzij door een te strengen leefregel brengt altijd nadeel aan; daarentegen vereischt de ziekte ook weder , dat men de bloedbereiding niet overmatig late worden. Waar de bloedmaking zeer werkzaam is, bij jonge volbloedige individus, zijn dus matige aderlatingen tot

4—6 oneen in tusschenruimten van 4—6—8 weken of nog verder uit elkander, zoo als dit naar de hoedanigheid der ziekte, den pols, naar de meer of minder snelle vergoeding des bloeds, naar den duur der op de bloeflontlasting volgende beterschap uitkomt, niet slechts aanbevelenswaardig, maar zelfs dringend noodzakelijk (1). Niet de toevallen der hypertrophie, noch de hartkloppingen , de hindernissen in het ademen enz. bevatten de aanwijzing tot bloedontlasting, maar de rijkdom en de prikkelende hoedanigheid van de bloedmassa. Zijn werktuigelijke verhinderingen van den bloedsomloop, gebreken der klapvliezen de oorzaak der hypertrophie, dan moet men des te voorzigtiger zijn om de voortstuwingskracht van het hart niet te zeer te verzwakken , daar men anders noodzakelijk den ongunstigen afloop bevordert. Ook merkt Monneret te regt aan, dat men aan de aan eene aanzienlijke hoeveelheid bloeds gewende hartholten eene groote hoeveelheid van dit vocht ook niet ongestraft zal mogen ontnemen. Lijdt het gestel en wordt het bloed armer aan stolbare bestanddeelen, of is het individu oorspronkelijk niet bloedrijk, dan is de door de ontlastingen mogelijk voorbijgaand bewerkte verligting niet duurzaam , de prikkelbaarheid van het hart bereikt eenen hoogeren graad dan te voren , de overgang in waterzucht wordt bespoedigd. Minder nadeel stichten in zulke gevallen kunstmatig vermeerderde ontlastingen door het darmkanaal en de nieren, en men heeft daartoe de middenzouten , cremortart, azijnzure potasch, zwavelzure bitteraarde, de sterkere pisdrijvende middelen, zoo als elaterium, digitalis, squilla, terpentijnbereidingen enz. aangeprezen. Zij zijn onontbeerlijk, zoodra er zich waterzuchtige verzamelingen bij het oorspronkelijk plaatselijk gebrek voegen. Men zoekt de vloeibare stoelgangen verscheidene dagen lang te onderhouden. Bereikt de zwakte eenen hoogen graad, dan moeten zelfs tonica (wijnsteenzuur ijzer volgens Elliotsos) aangewend worden (2).

§ 131. In denzelfden geest als de kunstmatige wegneming der vochten, moet ook de dieet ingerigt worden; spaarzamer en armer aan voedende deelen bij sterke en bloedrijke, minder streng en voedender bij buitendien zwakkelijke individus; men laat haar gewoonlijk uit teedere vleeschsoorten ,

(1) liorilLAUD gelooft, dat men in een geval van eenen middelbaren graad van hypertrophie bij eenen volwassene van middelbare kracht in den loop der behandeling 5 4 aderlatingen van

5—-4 paletten en 2 aanwendingen van bloedige koppen op de hartstreek van 2 5 paletten mag verrigten.

(2) Wijnsteenzuur ijzer' werkt te gelijk pisdrijvend en versterkend; EtLiOTSOJf geeft het bij hartvervvijding tot 5j —5'j "—raaa' daags.

Sluiten