Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder eene geringe drukking van den vinger breekt en soms zelfs tot eene pap kan gekneusd worden. Tot vervloeijing komt het niet. De verweeking kan het geheel van het hart innemen of gedeeltelijk zijn; zeldzamer is het tussehenschot, vaker zijn de kamerwanden aangedaan ; zij kan bij voorkeur de dikte der wanden innemen of slechts op de oppervlakte hare zitplaats heb* ben. Naar het uitwendig aanzien onderscheidt zich voornamelijk de roode verweeking van de bleeke grijs- of geelachtige soort. In de roode vcrweeking is de verweckte zelfstandigheid niet alleen donkerder, blaauw, bruinachtig gekleurd, maar de spiervezelen en het celweefsel zijn ook sterker met bloed of eene bloederige wei, somtijds van de kleur van wijnmoer (Bouillaïd houdt het dan voor een mengsel van bloed en etter) doortrokken; eene bijsoort van deze roode verweeking is door Cruv.e<lhier de apoplectische genoemd; het zwart bloederig vocht is in dit geval op vele plaatsen, even als in omschrevene kleine apoplectische holten, opgehoopt en deze zijn door de spierzelfstandigheid van het hart verstrooid. De bleeke, grijsachtige, geelachtige verweeking gaat meest met anaemie van de hartspier gepaard. Bodillaüd neemt eenen overgang van roode in grijze en gele verweeking aan en vergelijkt deze toestanden met de roode en grijze verweeking van het longweefsel. Echter is het zeker , dat de grijze verweeking van het hart niet altijd met etterinfiltratie des weefsels zamenhangt. Dikwijls heeft de geel verweekte zelfstandigheid geheel het aanzien cener vetachtige ontaarding. Eindelijk hebben Akenside en Blatjd nog eene grijze geleiachtige verweeking van het hart beschreven, die in eene infiltratie der vezelen met een geleiachtig vocht bestaat, bij bejaarde lieden voorkomt en niet zelden de oorzaak der verscheuring van het hart op dien leeftijd is. Lobsteis onderscheidt de eenvoudige slapheid van dit deel, zonder verweeking of broosheid, van de verweeking zelve. Dikwijls vindt men gelijktijdig met de verweeking ook verwijding der holten of sporen van endo- en pericarditis enz.

Verse h ij nselen.

$ 317. Het gaat moeijelijk, de hartverweeking als eene op zichzelve «taande aandoening gedurende het leven te herkennen, omdat zij meestal slechts eene opvolgende of vergezellende verandering van andere primaire toestanden is, wier verschijnselen zich bij voorkeur kenbaar maken. De verweeking op zichzelve veroorzaakt eene aanzienlijke verzwakking der zamentrekkingen van het hart (en dit geldt vast wel alleen van de geheele, niet van de gedeeltelijke), weshalve men als teekenen der hartverweeking volkomen verdwijnen van den aanstoot, de uiterste zwakte en eindelijk zelfs onhoorbaarheid der harttoonen, kleinheid, zwakte en onregelmatigheid van den polsslag aanvoert; hierbij komen veelvuldige flaauwten, benaauwdheden , blaauwheid des gelaats, zuchtige zwelling, — verschijnselen, die de verweeking met andere slepende hartziekten gemeen heeft. Men heeft de spitsvindigheid ver genoeg gedreven en ook de wijzigingen opgegeven, die de teekenen der hartverweeking door gelijktijdige verwijding en hjpertrophie zouden ondergaan , zoo als b. v. dat bij verwijding de anderzins luide harttoonen zwakker zouden zijn bij eene evenwel uitgebreide matheid van den percussietoon, dat bij hypertrophie de aanstoot slechts van tijd tot tijd eene ongewone kracht vertoont, maar daarna weder zwak wordt enz. Volgens Laennec zou bij de gele

Sluiten