Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitwendige huid- en slijmvliezen. Warmte, koude, wrijvingen, verwekking van pijn, sterke zintuigprikkels worden tot dit einde aangewend. De warmte is een der meest verlevendigende middelen , echter schaden de hooge warmtegraden, wanneer tusschen dezelve en de eigene warmte van het schijndood ligchaam een te groot verschil bestaat; men mag dus niet dan langzamerhand tot het aanwenden der hoogere warmtegraden opklimmen. Men rolt den schijndoode in warme doeken , zet hem in een warm bad, dat eerst laauw moet zijn en dat men van lieverlede door het bijgieten van warm water warmer maakt. Men late den schijndoode een uur lang in het bad, gedurende welken tijd andere prikkels kunnen aangebragt worden. In zekere gevallen kan men de prikkelende hoedanigheid van het bad door geestrijke, aromatieke bijvoegsels, wijn, brandewijn, door zeep, loog, bijtende potasch, azijn, enz. verhoogen. Op dezelfde wijze kan de warmte der zonnestralen, een bad uit verhit rivierzand, verwarmde asch, zout, uit mest gebruikt worden. In het bad wrijve men de ledematen met de vlakke hand, met wollen doeken, met zachte borstels; bij 'sterke bloedophooping in het hoofd kan het noodig worden, om het hoofd tevens met koude omslagen te bedekken, of zelfs koude begietingen in het bad te verrigten. De uit het bad genomen lijder moet zorgvuldig met warme doeken afgedroogd en in een bed gebragt worden, dat men met verwarmde flesschen, kruiken met heet water, heetgemaakte steenen, in eenen gelijkmatigen graad van warmte tracht te houden. Men legt gestadig verwarmde ligchamen op den hartkuil, onder de schouders en aan de voetzolen; om de dierlijke warmte op den schijndoode te laten werken, heeft men aangeraden hem tusschen twee levende ligchamen te leggen, en mogelijk zal deze handelwijze bij kinderen niet ondoelmatig zijn. Harvey heeft eene verwarmingskast van geslagen koper met eenen dubbelden bodem en dubbelde wanden, tusschen welke men kokend water giet, aangeprezen, die boven de opgemelde meer eenvoudige middelen geene bijzondere voordeelen heeft.

§ 386. Het besprenkelen van de uitwendige huid, bijzonder van het aangezigt, van den hartkuil, van de teeldeelen, met koud water, azijn, wijn, met de handen of beter met eene spuit, uit eene flesch, en met een zeker geweld, het opdroppelen van aether op den hartkuil kan dadelijk van het begin af en gedurende het bad worden aangewend. Zoo ook de wrijvingen, die velen eerst dan willen aanwenden, wanneer de bloedsomloop en de ademhaling weder aan den gang zijn; de vrees, dat bij het verzuimen van deze voorzigtigheid het bloed uit de haarvaten der uitwendige huid naar binnen zou kunnen teruggedrongen, en daardoor het regter hart overladen worden, is zeker ijdel, omdat toch bij eiken schijndoode alle bloedbeweging opgehouden heeft; de wrijvingen werken alleen als prikkel op de huidzenuwen, en moeten als zoodanig, om de prikkelbaarheid niet te veel uitte putten, met gematigdheid aangewend worden. E<senmann gelooft, dat bij het wrijven ook electrieke krachten werkzaam zijn, en kiest daarom bontwerk, wollen doeken , en zelfs Hildenbrand's metaalborstel om te wrijven. Op plaatsen met eene dikkere opperhuid , zoo als aan de voetzolen en handpalmen , gebruikt men de ruwere, hardere voorwerpen; de wrijvingen worden voornamelijk op de ledematen, op den hartkuil, de borst, de ruggegraat, op het voorhoofd en de slapen verrigt; dikwijls neemt men ook geestrijke voch»

Sluiten