is toegevoegd aan uw favorieten.

Goed en kwaad

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel, dat hen beiden zoozeer elkanders luimen deed dragen, als ware nog aan hun boosheid iets van aantrekkelijkheid? Zij wist heel stellig, dat ze nog nooit bij iemand, wien dan ook, die hevige begeerte tot dieper kennen in zich had gevoeld. Weemoed is aan haar wezen sedert ze hem kent, sinds gisteravond, toen zij met hem sprak voor de eerste maal; ook voelt ze onrust, angst, boosheid op haarzelve, belangstelling in hem, en toch dat ze beter deed met zich ervan af te maken, ook een halfbewust wordende tegenzin in haar eigen leven, dien zij nooit voordien geweten heeft, doch die als had geslapen in haar ziel, en nu door zijn dwaze stem was wakkergeroepen; ze bemerkt gelijktijdig vreugde en dien vreemden weemoed, en ze zou maar willen weten: waarom dit alles? Zoo denkt en denkt ze, tracht te vinden wat het wezen mag, maar het gelukt haar niet; als een rusteloos water zoo deinen haar gedachten. Haar ziel is als een groeiend kind in haar; ze gevoelt hoe deze nu eerst leven gaat. Al wat er gedurende de vele voorbije jaren in haar geschied was, doch nauwelijks bemerkt, en, zoo ook al gezien door haar toen zoo ernstlooze kijken, dan toch niet in ganschen omvang, dit alles wat er geschied was in de dagen en in de nachten van haar leven, komt nu ineens, nu voor het eerst, als iets bedroevends in haar denken, iets onherstelbaars, waar ze een schreiend berouw om voelt. Gelijk een vreemde bloem is daar een wondere drang in haar ziel ontloken; ze zou niet kunnen weerstaan aan dezen: den jongen, den mallen en toch wijzen jongen het verhaal van haar leven te doen. Ze had dit steeds in haar lichtzinnig denken als een dwaze gevoeligheid beschouwd, het heel ver weg, als achter in haar hoofd, verstoken, omdat ze het niet weten, niet kennen wilde; niet dat die gedachte haar leed gedaan had, toen, doch ze vond dit alles nutteloos en sentimenteel, — en nü, op dezen avond zou ze aan dien vreemden jongen het gansche verhaal wel willen doen.

Zoo mijmert ze, terwijl de dingen om haar als henenwijken, het gebeurende in haar hoofd haar iets tastbaars, het eenig wézenlijke, waardevolle is. Ineens verschrikt ze van een gaand geluid in haar nabijheid, ze luistert scherp