is toegevoegd aan uw favorieten.

Goed en kwaad

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van eènzelfde denkbeeld is, indien dit denkbeeld een pijnigend is, het gevaar, waarvoor ik vrees. Zoo stel ik me voor: indien nu zoo'n verdrietige gedachte eens niet meer door een andere eindelijk verdreven werd, maar bleef, aldoor bleef. En dat is denkbaar. Ik geloof, dat dit nu waanzin is.

— Wat ben je toch een vreemde jongen. Maar erover praten, neen, natuurlijk zal ik dat niet.

— Het zou gevaarlijk zijn, heel gevaarlijk voor ons geluk. Gevaarlijk voor onzen innerlijken vrede, die toch de grondslag van ons geluk moet wezen; als we dien niet hebben, dien vrede voor onszelven, met ons zeiven, omdat we weten goéd te doen, dan bezwijkt het geluk als een huis, dat op een moeras gebouwd staat. Het zakt langzaam uit, je bemerkt het den eersten tijd niet zoo zeer, maar voor je het vermoeden zou, is het al ingestort.

— Ik geloof je wel, doet Riek, die den schijn van luisteren heeft, maar haar aandacht is geheel uiterlijk; zij denkt aan iets anders. Als Henk heeft uitgesproken, zegt ze: Toch moet ik je nu wat van mijn leven vertellen. Later zal ik nooit meer van dit alles spreken, maar nü gevoel ik, dat ik het zeggen moet. Ik zal het heel kort verhalen, maar je moet het weten; indien ik het verzweeg, zou het steeds voor mij blijven alsof ik je bedrogen had.

Henk voelt iets van tegenzin, doch nieuwsgierigheid tevens. Hij wilde het eigenlijk wel weten. Toen hij daareven zeide het niet te willen hooren, had hij dit stellig gemeend; en toch drijft nieuwsgierigheid hem ertoe, haar te laten spreken.

— Vertel dan maar, zegt hij, en staat op.

— Waarom blijf je niet zitten? vraagt ze.

— Ik wilde wat heen en weer loopen.

— Waarom?

Dat doe ik altijd, wanneer ik banale vertellingen moet aanhooren.

— Henk? doet ze spijtig.

— Neen, neen, ik meen het niet, zegthij, plotseling stilstaand, ik zei dit ondanks mezelven. Je moet er niet boos om zijn.

— Ik ben niet boos, antwoordt ze, — wat ik je vertellen ga, is heel niet banaal.