is toegevoegd aan uw favorieten.

Goed en kwaad

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mezelf, dat ik het vraag, zegt hij tot Henk, — maar. ik heb gewed met de lui, dat ik je weer eens mee zou brengen; ze wilden een fuif ervan maken, wanneer je weer kwam.

Frans en Marie zijn benieuwd, hoe Henk zich nu houden zal, maar deze zwijgt; wel lacht hij tot Karei met eenige verstandhouding, doch hij zwijgt. Gaarne had hij, ondanks een zekere vriendschap voor Karei, nu ineens gebroken met hem en de andere koffiehuisvrienden, maar hij zou dan toch een reden moeten geven, en over Riek wil hij niet spreken tot hem.

— Den eersten tijd werk ik, zegt hij, — misschien kom ik later weer eens.

Frans haalt de schouders eens op. — Zeg hem nu maar ronduit, dat hij niet meer op je behoeft te rekenen, Henk.

— Waarom niet? vraagt Karei.

— Ach, dat begrijp jij toch niet, antwoordt Frans.

Karei, die meent dat het weigeren van Henk geen

andere reden dan zijn werk heeft, dringt niet verder aan. Hij heeft er blijkbaar belang bij, Frans niet te grieven, want geheel anders dan gewoonlijk in zulke gevallen is zijn houding: hij lacht eens tot Frans. — Ik ben een zot, zeg maar, doet hij.

— Ja, ongeveer, antwoordt Frans.

Karei doet of hij dit antwoord heel vermakelijk vindt; het kan hem in dit oogenblik eigenlijk heel niet schelen of Frans hem uitscheldt, noch of Henk weer met hem de koffiehuizen bezoeken zal. Hij denkt aan dat, waarvoor hij hier gekomen is. Henk, die blij is, dat Karei niet meer aanhoudt, onmatig verheugd in verhouding tot het onbeduidende van het geval, staat op, groet en gaat heen. Frans, die hem uitlaat, zegt hem, vooral den volgenden avond samen met Riek te komen. In tegenwoordigheid van Karei hadden Marie noch hij over Riek gesproken, als hadden ook zij dien schroom gevoeld om over mooier dingen te praten in bijzijn van Karei, die hen kwetsen zou met zijn gebaren en zijn woorden, welke bruut en schennend werden, zoodra men over vrouwen sprak.

Als Frans weer terug in de kamer is, begint Karei wei-