is toegevoegd aan uw favorieten.

Tille

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit den Leguit en van den Driesch, van de Verwersrui, waarmede zij, in zomeravonden, zingend en rumoerend rondliep. Het laatst van al bleef haar het beeld bij van den buurjongen Walt Bremer. Hij was haar trouw kameraadje geweest, die met haar huishoudentje speelde, als een ridderken voor haar vocht tegen nijdige kwantjes.

's Anderendaags zong zij dan met verdubbelden ijver in de kloosterkapel, en bad, en bad. Van huis bleef haar de herinnering van wisselende matrozenvolk, dat kwam en vertrok, herinnering aan Ole Olsen, den looper, en aan Line, de meid. Dacht zij aan huis, dan probeerde zij zinnetjes te maken, Engelsche en Noorsche zooals zij er als kind had kunnen uitflappen.

Toen was het telegram gekomen, laat in den avond. Moeder-overste had haar stillekens voorbereid op het allerergste. Moeder was plots doodziek geworden. Den langen nacht had zij geweend in een eindeloos gevoel van verlatenheid. Het klooster scheen niet langer veilig-rustig, het zachte troosten bracht haar geen heul. En buiten woelde een voorjaarsstorm.

Vroeg in den morgen kwam zij in de stad. De lucht was blauw en er sprie-