is toegevoegd aan uw favorieten.

Tille

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ren wat wil... was ik maar gauw dood. Mijn arme, goede Carl, mijn goede, lieve man, en ik die niet weet of ik hem nog wel mijn man noemen mag !

Als kind hield ik van de mannen, van het zeevolk, want wij woonden aan den havenkant. Ik wist hen aan te halen, dat zat zoo in mijn lijf, en 'k was vergenoegd als een mij tegenlonkte. Mijn moeder was gelukkig vroeg gestorven, en mijn vader bekreunde zich niet om ons, kwam meestal dronken in den nacht thuis... Zoohaast zij kans zagen, trokken mijn broers naar zee, en toen ik zestien jaar oud was, ging ik van huis loopen. Vader had me geslagen. Nimmer heb ik van hem nog gehoord. Ik diende in een zeemanskroeg, waar men mij Lille Hanne doopte. Dat was mijn vreugd en leven ! Ik was nooit meer hongerig, kon drinken zooveel ik wou, werd gestreeld door de mannen, danste en zong, want het was een vroolijk huis waar haast altijd muziek gemaakt werd. Ik had schoone kleederen en zooveel vrijers, zooveel vrijers !..

Toen, na een paar jaren, leerde ik den kapitein kennen, ging met hem wonen, want ik zag hem zeer gaarne. Dat was een eenzaam leven waarin ik de triestigheid leerde kennen. Hij kon soms zoo