is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit grauwe nevels

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pen over den grond stapte; deze, een magere zwingelkeet, slungelachtig in een wijd pak, geleek eenen jongen die onnoozelenkinderendag vierde. Ze keken gedurig rond met de geniepige blikken van bengels die iets kwaads verzinnen ; hun hondje, de spits, volgde trekpootend.

— Vooruit, loebas, vooruit, zwemmen baaske, hitste de schelewielp aan.

Donkergroen bezoomde de dijk den oever van den klotsstu wenden stroom ; 't was stil op het water, er was bijna geene beweging, slechts bij lange tusschenpoozen kwam een kleine stoomer of een zeilboot voorbijgevaren in de rust van den avond. Bij het begin van den dijk waar de kaaimuur eindigde, speelden kinderen in het zand tegen eene houten loods. Ze vochten en stoeiden, ze schreeuwden de kornuiten, en tierden, zoodat de twee nieuwen van verre bleven toezien. Soms staakten zij hun spel om naar eenen jongen te kijken, die bedaard als een vakman, zijn net langs de kade voorttrok, het traag weer bijhaalde, en dan heel nauwkeurig, heel gewetensvol de vieze dierkens, de grauwe garnalen opnam en in het mandje wierp, dat met eenen band hem over de schouders hing. Met gespannen aandacht stonden ze er nu rondom, over elkanders