is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit grauwe nevels

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ling in mijn beterschap, en al haar lieve vrouwenzorgen, die een oude, verloopen kerel zooals ik nooit ondervond, 't Was me zoo oneindig zoet, dat ik tot mijn jeugd, tot mijn moeder terugkeeren moest om zoo'n aandoeningen weer te vinden. Later als ik begon te herstellen, en ik heele morgenden te denken en te droomen lag, was ik verwonderd over al wat voorgevallen was. Van uit het benedenhuis drongen de stemmen der zeelieden onduidelijk en rumoerig, en deden me denken aan de Elloe. Mijn schip moest lang vertrokken zijn, meende ik, en ik bleef hier alleen, alleen met Mary... De loomheid van mijn ziekzijn,'het genot van de rust na die afgetobde dagen en Mary, verwijderden van mij het terugkeeren naar de zee. Het anker werpen, is dat niet ons einddoel, aanlanden in eene veilige haven ?

's Namiddags kwam Mary aan mijn bed zitten arbeiden, daar zat ze uren aandachtig gebogen over haar naaiwerk of las me voor uit boeken, gevonden in eene oude matrozenkist. Zoo staarde ik haar lang aan, ze zat gelaten in de stille krankenkamer, ru»stig en eenig als iemand die veel ontgoochelingen ondervond. Haar stem was blank-eentonig, maar warm scheen ze me als zij me John noemde. Soms richtte ze het hoofd op, keek