is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit grauwe nevels

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weggemoffeld tusschen de spichtige pijlkens, in het vaalgroen bed, waar ze als donkere plekken waren in het lichtgestraal.

Hij vervorderde zijn werk, misselijk, met een nijpende klopping in zijn hoofd, omkroesd door de hitte die, saamgepakt tusschen de muren van het plein, zich looddrukkend weerkaatste op de schelven, waaruit een smachtige doom opsteeg en bedwelmen kwam. Hijgend, ontzind bleef hij opnieuw rusten op zijne vork en hij dacht aan wat hij eens van den pastoor had hooren zeggen : — In het zweet uws aanschijns zult ge uw brood verdienen. — Het ging hem zoo nu ! Nog nooit had een dag zulk een oven geleken, 't Moest wel de eenige in zijn leven zijn die zoo tierend branden kwam.

Onverzettelijk plaagde hem nu de dorst. Zijne droge keel en smachtende mond waren als beprikkeld. Het werk ging maar niet van de hand en toch : het moest voort. En hunkerend begon hij opnieuw. Heele tassen slokte het venstergat op den hooizolder, maar het kortte niet : de dag was lang. Vele hooiwagens stonden daar als reusachtige oppers, die nog moesten geborgen worden. O! zich nu kunnen neerhuiken in schaduw en koelte, zich laven aan verschkriekend bier, en wat rusten I Kwam de avond nu maar en de sussende nacht!