is toegevoegd aan uw favorieten.

Liederen en gedichten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eeri jonker, die in lust en weelde kon leven in het ouderlijke huis,

waar hem moederliefde streelde,

verliet het voor der wereld ijl gedruisch.

Zijns vaders goed, de vrucht zooveler jaren, is thans om zeep in schandige overdaad !

Nu bedelt hij en jammert, maar te laat :

Al wie zijn achterste verbrandt,

moet zitten op de blaren !

Trinet en Jan, een paar gelieven,

wiens wederga niet licht te vinden was,

zoo schoon dat elk, uit vrees voor dieven, hen sluiten wou in eene eikhouten kas ;

ze zitten nu, de handen in de haren,

schoon sedert hunnen echt een jaarken pas verzwond, te vloeken op den band, die hen verbond :

Al wie zijn achterste verbrandt,

moet zitten op de blèren !

Ik zal er nu maar uit gaan scheien,

want al wat fraai en goed is, duurt niet lang.

Mag ik mij met de hoop nu vleien,

dat ik u heb vermaakt met mijnen zang ?

Zoo mij 't bravo niet opklonk uit de scharen, wierd licht op mij 't refreintjen toegepast,

waarop ik u ten zesde maal vergast :

Al wie zijn achterste verbrandt,

moet zitten op de blaren !

i855

Almanak voor Jan cn Alleman, 1860, bl. 39.

In den Eyerboer van Antwerpen, 7 october t855, onder den titel : Al wie zijn Gat verbrandt, moet zitten op de Blaren (met weinig verschil).