is toegevoegd aan uw favorieten.

Liederen en gedichten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Binnenhuis en op Straat.

(Naar Fran<;ois Coppée.)

I

Het sneeuwde gistren fel, nu vriest het sedert uren. Het dak, het ijzren traliehek, de rug der muren, de randsteen van den bornput, de arkels, de oude bank zijn als gekleed met watte, en heel de tuin is blank. De boomen, welken geene liedren meer ontstijgen, verheffen in het blauwe ruim de zilvren twijgen,

waarop 'ne laag stofhagel glimt. Maar zie nu, blondgestreept vertoont de westerkim zich. 't Is de stond des zonnenondergangs. Roodgouden stralen stroomen, en 't schijnt als waren rooskoraal de winterhoornen.

II

Glimlachen zult ge, maar het doet me telkens aan,

wanneer ik zoo een paar piotten langs de baan, gedachteloos de schors afschillend van de teenen,

der haag ontplukt, daar slentren zie met loome beenen. Den burgemeester, deftig zeetiend aan 't bureel, den jongen, zie ik, die er inlot, bleek en heel ontdaan, den hoed van linten bont omwaaid, het schamel reispakje, 't afscheid van de moeder... 'k Hoor 't gestamel bij 't wilgenbeekje, ik hoor 't vaarwel der trouwe meid, die staag zich de oogen wischt en immer droever schreit.

III

Wie vijf jaar oud is telt al mede bij de grooten !

Kom, zei men dikwijls, draag uw broerken wat. Gesloten

in bei hare armen hield ze dan het kleine wicht,

niet weinig fier en met diepernstig aangezicht.

Dat hadt ge moeten zien, hoe goed ze moeder speelde !...

Maar 't pasgeboren kind, och arme ! kwijnde en kweelde,

en op zijn wiegsken nam de timmerman de maat

der doodkist. Zusje draagt nu zwarte kleeren, praat

en stoeit met niemand, schudt het blonde krullekopje

en mijmert : Nu en houd ik niet meer van mijn popje.