is toegevoegd aan uw favorieten.

Liederen en gedichten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan Asterië.

Horatius' Oden, III, 7.

Wat toch jammert gij om Gyges, Asterië,

dien bij 't keeren der lent' lustige zefiers u vast weèrschenken, getrouw en aan Bithynische waren rijk?

Verre in Oricum, waar, na het gestarnt der Geit stormweer wekte, hem heenstuwde de zuidenwind, brengt hij, tranen vergietend,

slaaploos killige nachten door.

Dikwerf zegt hem de boodschapper der smachtende gastvrouw echter, hoezeer Chloë van minnedrift blaakt voor uwen geliefde;

géén lokmiddel verzuimt de schalk :

Hoe eens Proetus, te licht vlammend bij 't lasterwoord zijns ontuchtigen wijfs, kuischen Bellerophons doodsuur zocht te verhaasten,

haalt hij listig opnieuw aan 't licht;

Ook hoe Peleus bijna, vóór des Acastus' vrouw eerbaar vluchtende, neerzonk in den Tartarus... Maarkens, lokkend tot zonde,

warmt zoo verder de sluwerd op.

Vruchtloos babbelt hij, doof als eene Icarische rots blijft Gyges en gansch de uwe. Maar zorg nu, dat uw buurjongen, Enipeus u niet meer dan het hoort behaagt.