is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die dagelycx maeckt sooveel cruysen als hy hairen Op 't hooft en kinne heeft, wiens uytterlyck gesicht, Al wie hem niet en kent door syne seden sticht, Maer 't is een loosen vos becleet met duyve pluymen, Hy trekt dat wesen aen om beterder te luymen, Op winst en eygen baet, en blyft daer med'bedeckt, Totdat hy 't geen hem lust in syne netten treckl, Met sulcke sou Passchier my lichtelyck beliegen.

Is die uitval legen de tarlufferie, zoo vrij en scherp hekelend van toon, niet een gevoelsuiting van den jongeren De Swaen? Heeft de meer bedaagde De Swaen wellicht gedacht, dal er in de afkeuring van overdreven godsdienstig vertoon een stilzwijgende bekentenis lag van minderen ijver bij den afkeurder? Heeft hij wellicht voor verkeerde opvatting van deze verzen gevreesd? Of mogen wij onderstellen, dat ze door een ander schrijver in De Swaen's werk werden ingelascht?

Het ware te wenschen, dat er van de Gekroonde Leersse een nieuwe uitgave bezorgd werd, waarbij gebruik zou gemaakt worden van het handschrift en van de uitgave van 1718. Ofschoon het handschrift blijkbaar de verbeterde tekst is, die De Swaen ne varietur aan het nageslacht wilde overmaken, meenen wij dat enkele varianten uit de uitgave van 1718 belangrijk genoeg zijn om er de aandacht op te vestigen. Overigens was de uitgave, die pastoor C. Looten ons naar het handschrift bezorgde, meer een daad van piëteit tegenover den Duinkerkschen dichter dan een streng wetenschappelijk werk. Een staaltje maar. In Looten's uitgave lezen wij (III, 122) : « Dan sit ge nogh soo koel, als eenen nucht'ren keeuwer ». Hierbij geeft Looien de volgende verklaring (bladz. 110) : « keeuwer, animal d branchies, de keeuw om kieuw, branchie ». De uitgave van 1718 toont ons door de betere lezing : « Dal siet nogh soo koel als eenen nuchtren reeuwer » (lijkaflegger), dat de verklaring van dil vers niet in het onmogelijke moest gezocht worden. Ook in zijne korte inhoudsopgave van de Gekroonde Leersse, begaat Looien een misgreep. « Le savetier sollicite et obtient la faveur de donner comme enseigne a sa boutique une botte surmontée de la couronne impériale », schrijft hij (blz. 9). Nochtans blijkt uit den tekst, dat de schoenlapper iets heel anders vroeg : « Hy