is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door de Bruggelingen aangevallen Andronicus. Het door ons bedoelde gedicht van De Swaen is een antwoord op deze lofrijmen Wij schrijven er de volgende brok uit over :

Dat gheel het Noorden met het snelgewiekte paert Het westen onderneem Rym-galmigh 't overschreeuwen, Met woordenpronk ontleent van Scyten en Hebreeuwen, En woeste tongen ten ysgolven uytgestort; De soete weslerlucht ontsiet geen Noort, en wort Soo vriendelyck bestraelt door Phebus gloeyend wesen Dat zy voor geenen storm, noght hagel heeft te vreesen.

Op den rand heeft De Swaen, bij het woord Noorden van den eersten versregel aangeleekend, dat hij Brugge bedoelt en bij het woord rymgalmigh van den volgenden regel plaatst hij als kantteekening : « naboótseersel van hoogdravende woorden^waerop de nieuwelingen geheel de konst bouwen ». Dit gewraakte « rymgalmigh » is niet een « naboótseersel », maar een woord, dat De Swaen letterlijk overnam uit het le Brugge bekroonde gedicht van Speeckaert, waarin het tweemaal voorkomt. Ook de derde der hierboven aangehaalde versregels, bevat eene zinspeling op den Brugschen prijskamp, waarop, door den factor van Cranck B. Stier uit Oudenburg een potsierlijk gedicht werd voorgelezen met Scythische en Hebreeuwsche woordafleidingen doorspekt.

Nog later vindt De Swaen in zijne Bymkonst gelegenheid, om uit Speeckaeri's bekroond gedicht gebrekkige verzen aan te halen. Als voorbeeld van duistere taal geeft hij daar het volgende verzenpaar op :

Eer de wysgierigheyd heeft naektelyk ontdaen

Den knoop der onrust van het licht der son en maen (2).

De Swaen vermeldt als bron voor deze aanhaling : « Lofdicht van Ninove ». Hiermede wordt geen ander gedicht bedoeld dan Speeckaert's Lof der Rymkonst, te Brugge bekroond. Uit hetzelfde gedicht haalt De Swaen in

(*) Ss. van het Comité flamand dé France (III), 4» gedicht. (2) De Heliconsche Echo, blz. 103.

8