is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dagelyx toe te nemen in kennisse van verschelde wetenschappen, om, is hel niet van alles volraaecktelyck, dat zwaer ja onmogelyck valt, len minsle ter loop van vele dingen kennis te hebben, om zyn werck naer den eisch uit te voeren (1) ». Hierbij beveelt hij de lectuur aan van Salomo's spreuken, van Cicero's, Seneca's en Plularchus' werken, van Cesare Ripa's Inconologia, ({e encyclopaedie van dien tijd.

Uil de Digtkunde leeren wij voor een aanzienlijk deel De Swaen's geliefkoosde lectuur kennen. Herhaaldelijk beroept bij zich op het oordeel van Plutarchus, Quintiliamis, Suetonius, Buccelinus, Farnabius, Baronius, Rosweydus, R. Rapin, Mezeray en Williara Temple. Onder de eigenlijke bellettristen noemt hij vooral Corneille, Racine, Molière, Boileau en de Nederlanders Vondel en Cats. De namen van Westerbaen en Fockenbrogh komen in de Digtkunde ook wel voor, maar Vondel en Cats worden er boven alle anderen als de ware meesters der Nederlandsche poëzie geprezen.

Heigeen De Swaen over Vondel en Cats schrijft, bewijst dat hij een crilisch oordeel bezat en wist waarom hij bewonderde en afkeurde. De hedendaagsche criliek zal zich met De Swaen's uitspraak over deze dichters wellicht niet in alles vereenigen, maar zij zal erkennen, dat de beschouwingen van den Duinkerkschen auteur toch zoo kwaad niet zijn voor de 17eeeuw, die in Brandt's biografieën van Vondel en Hooft hel eerste gestamel onzer letterkundige criliek hoorde.

Van Cats luidt het : « Hy is uylstekende in minnesangen, zededichten, herderyen, sinnebeelden, andere soete en geestige werken, die den eigendom van syn merkteeken genoegsaem kenbaer maken. Synen styl is soet en klaer, maer een weynig slap en wydloopig, slap in statige verhandelingen, wydloopig in beschn vingen. » Bij dit oordeel voegt De Swaen de volgende opmerking, die schijnt te bewijzen, dal Cats destijds in de zuidelijke Nederlanden, vuriger bewonderaars vond, dan in de noordelijke : « Ik verwondere my over d'onaerdige ondankbaerheyd van syne landgenoten,

(i) Vondel, Aenleidinge ter Nederduitsche Dichtkunde. Van Lennep-Unger, 1648-ltiS3, blz. 139.