is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die treiterende ironie ligt echter in haar gewoonte niet; in den regel gebruikt ze grof geschut, 't Gebeurt ook wel, dat baar de scheldwoorden niet meer voldoen en dat ze andere middelen, « een bereken of eyeken serviet » (IV, 3, blz. 148), gebruikt om Kosen te verdrijven.

Kosen heeft niets, noch in zijn persoon, noch in zijn karakter, dat van aard is om vrouwenharten te winnen. Hij is leelijk en dom. « Genomen, 'k was wat swaer van leden en van sinnen » (II, 4, blz. 440), zegt hij van zich zelf. De vrouwen denken nog erger over hem dan hij 't werkelijk verdient. Zoo weel Maeyken te vertellen, dal hij « schier geen onderschil van manen vrouw en kent » (I, 6, blz. 436)! Staaltjes van zijn onnoozelheid vinden wij in het stuk genoeg; deze gaven overigens aan den schrijver gemakkelijk gelegenheid om lachwekkende tooneeltjes aan te brengen. Kosen is bovendien een onverbeterlijke dronkaard. « Daer is geen bierbalgh in het lant als d'uwe », zegt hem Joren, « 'k Wed, gy wel een vierljen op syn kant soudt stellen ». Doodkalm neemt Kosen daar de mogelijkheid van aan, onder voorwaarde alleen, dat hij er «toebak ende pypen » bij krijge (III, 4, blz. 446 e. v.). Als hij lien potten bier binnen heeft, dan zit hij « nogh soo koel als eenen nucht'ren reeuwer » (III, 4, blz. 422). De lust naar drank is bij hem een hartstocht, die sterk, genoeg is om hem le doen aarzelen tusschen het huwen van Jakelijn en het vaarwel zeggen aan pot en kan (III, 4 en 5). Een andere hartstocht, die van 't geld namelijk, beheerscht hem echter geheel en gansch. Hij beeldt zich in, dat zijn « schyven » almachtig zijn en, dal zij hem ook de liefde van Jakelijn zouden moeten verzekeren.

Is myne beurs niet weert dat sy my soo beminnen? De beurs, die 't al bekoort? Daer syn er meer dan tien Degene my daerom wel geiren souden sien (*).

Van 't oogenblik, dat Kosen zijn geld in gevaar acht, houdt alle ander gevoel bij hem op. Zonder aarzelen ditmaal, laat hij Jakelijne en zijn beschermer Teunis los, om zijn « ponk » in veiligheid te brengen (IV, 7).

(i) II; 4, blz. 141.