is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hier vat De Swaen de ziel op als een bruid, naar wie Jesus als bruidegom werft. Deze half myslische, half erotische voorstelling, die aan den trant van het Hooglied herinnert, kenden wij reeds sedert lang in onze letterkunde uit de gedichten van Zuster Hadewich en Anna Bijns, ook uit de stichtelijke gezangen van Jan Luiken en anderen. Bij De Swaen evenals bij deze andere schrijvers neemt het gedicht bij dergelijke voorstelling soms den toon aan eener wereldlijke minneballade. Spreekt Jesus, die, na gegeeseld en met doornen gekroond te zijn, gedurende den nacht voor 't venster van de geliefde ziel komt verzuchten, niet heel en al als de bekende minnaarsfiguren onzer wereldlijke, erotische literatuur uit de middeleeuwen ?

Doet open, Iaet my in, myn suster, myn Vriendin! Doet open, laet my in, siet langs myn haire krollen De droppelen van douw gestadig nederrollen! Den midnacht heeft myn hooft met nevel-vocht bespat, Siet, myn g'heel lichaem is tot aen de teenen nat. Doet open, haest u dog; komt blusschen myn verlangen; De liefde heeft my met myn Rruyloftskleed omvangen : Siet myne teere kruyn met eene krans gekroont, Die u de vierigheyt van myne ziele toont (*).

Lijken al de volgende verzen ook niet als ontleend aan een minnelied ? Nochtans doelen ze steeds op Jesus en de ziel.

— Myn wei-Beminden is met Liefde soo bevangen Dat hy my t' aller tyd komt volgen op myn gangen...

— Hy komt aen myne deur, en groet my met den nachten...

— Of gaet den nacht bet licht naer d'onderwerelt leyden,

Hy kermt, en sucht, en klaegt soe vroegh te moeten scheyden,

En, spyt de koude mist, blyft waken aen myn deur...

*— Soo ras de soete Lente ontluyckt haer violieren,

Hy komt met eenen krans myn hayr en voor-hooft eieren (*).

(*) Leven en Dood van Jesus-Christus, 2" deel, 14' gez., blz. 108. — Zelfde beeld, lbid., 2* deel, 3e gez. — Zedelycke Rymwercken, 1* deel, n' 7. '■' (*) Zedelycke Rymwercken, !• deel, nr10, blz. 89.