is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dadelijk aan de beroemde rei der engelen : « Wie is het, die zoo hoogh gezeten... », uit het eerste bedrijf van Lucifer, aan den beurtzang van Adam en Eva uit het eerste bedrijf van Adam in Ballingschap, aan enkele brokken uit de Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst (4) en verscheidene andere plaatsen waar Vondel hetzelfde onderwerp behandelt. Onze eerste indruk werkte verrassend, doch toen wij de teksten naast elkander legden, zagen wij, dat de verwantschap tusschen de twee dichters veel meer een verwantschap naar den geest dan naar hel woord is. Enkel uitdrukkingen als « Oirsprong, bron van alle saken », « godlyk wesen », « noyt volpresen », dal « altyt syt in ongemetenheyt », « kreytzen » en « lazure veldt » daargelaten, vonden wij bij de twee dichters niets dan gelijken gedachlengang en gelijken breeden rythmus.

Op andere plaatsen evenwel kan VondeFs invloed op De Swaen met tastbaarder bewijzen aangetoond worden. Waar De Swaen over den Kerstnacht zegt : « Verlichten nacht... klaerder als den dag (2) », ofwel :

Lieven nacht! den schoonsten dag, Die er oyt is opgeresen, Lykt my duysternis te wesen Als ik u beoogen mag (3),

dan zweefde hem stellig de prachtige rei van de Clarissen : « O kerstnacht, schooner dan de dagen », uit Gijsbreghi van Aemstel voor oogen. De wijze waarop De Swaen Lucifer's hoogmoed schildert verraadt ook onloochenbaren Vondeliaanschen invloed. Bij De Swaen zegt « Gods stedehouder » :

Ik sal in myne cracht opstygen, tot den top Der hemelbogen, en myn eygen Rykstoel stichten Ver boven Son en Maen en Godes sterrelichteri. Den Noortpool diene my voor eene voetschabel, Twyl ik my boven 't swerk der hoogste woleken stel, En op den heylgen bergh des Testaments gestegen Den alderhoogsten sy gelyck, in macht en zegen (4).

(*) 1» boek, v. 1022 e. v.

(2) Leven en Dood van Jesus-Christus, le deel, 15" gez., blz. 95.

(3) lbid., 1" deel, 3» gez., blz. 17, Toezang.

(*) Hs. van het Comité flamand de France, II, nr 10.