is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijke sociaal-democratische afdeeling der „liederen van Huisvlijt" terugkeert, die zou zich ten eenen male vergissen. Integendeel blijkt die vorige bundel, werk uit twee werelden, de verbinding te zijn geweest tusschen den vroegeren Van Collem, nog geheel en al vastzittend in het ütterair anarchisme van na 1890, — en den dichter der cosmische liefde, die in deze nieuwe Liederen andermaal zich betoont een dichter bij de gratie Gods, — indien men althans onder God verstaan wil den Geest, het beginsel van lieven, dat het Heelal bezielt.

En het grond-gevoel dezer nieuwe liederen is dan ook 1 het zich een deel weten van dezen Geest, het zich vereenzelvigen met dit Leven, dat eeuwig is.

Dat is dus tegelijk: de abnegatie van het egoïste Ik, het zich weggeven aan de Gemeenschap. Uit het oneindige kosmische natuurgevoel, waarin de dichter zich oplost, ontstaat onvermijdelijk, tegenover de menschelijke samenleving, de communistische overtuiging van den altruïstisch gestemden mensch. De pantheïstische natuur-dichter, en de socialist, zijn in Van Collem eene vanzelf-sprekende éénheid.

Alles in Van Collem's dichtwerk is vanzelf-sprekend; en zijn verzen hebben de volkomenë losheid, welke slechts zij zich veroorloven kunnen, die in zichzelf de volkomene vastheid hebben der volkomen eenvoudigen en volkomen echten.

Die losheid in Van Collem's vormgeving houdt zeker ook wel verband nog met zijn litteraire afkomst; de dichter maakt het zich soms wel wat al te gemakkelijk; hij aanvaardt rijmwoorden, die zijn gedachtengang tot de zonderlingste wendingen dwingen, — doch aan den anderen kant sticht de vage losheid zijner bloeiende taal een atmospheer, een dampige gloed, die bij uitstek levend is.

Deze wazige indringendheid heeft Van Collem's vers zeer veel; zóó veel, dat men soms begint