is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En al even rumoerig en al even kostelijk is dadelijk daarop weer het motto van de Inleiding: „En, zoo de levenden niet kunnen spreken, stamp dan de dooden uit den grond!" Want wie zal hem betwisten, dat de dooden, die hij noemt, spreken mogen en spreken kunnen, en dat ze nog altijd leven en tot de zeer levende krachten der Vlaamsche Cultuur behooren: Conscience, Rodenbach, en Gezelle? — „Conscience, die zijn volk het dagelijksch brood van zijn eenvoudig woord brak" (en breekt!); „den genialen Rodenbach"; en Guido Gezelle, die „zocht en vond wat ons eindelijk redden moest: het stille, onbuigzaam-vaste en stoere voortwerken aan de eigen ziel". Dat was het, wat de jongeren van den meester leerden: „de gedachte leeft in ons en is onuitroeibaar als iedere levende gedachte."

De stukjes-zelf zijn van een diepe bekoorlijkheid; zij vermeien zich in het opsporen, in figuren en stroomingen, van de levende bronnen, hoe nietig die ook schijnen; in 't bewustzijn, dat alleen zij de fonteinen voeden kunnen, die niet meer ophouden te ruischen.

Het opstelletje over Conscience, het eerste, is om te beginnen al heel mooi, en al heel teekenend in dit opzicht. Hij herleidt Conscience tot zijn oorsprong: het Antwerpsche volksleven, het vertelsel op den keldermond, en de poesjenellen (het oude volksmarionettentheater), om daaruit af te leiden zijn groote beteekenis voor het Vlaamsche Volk: hij leerde zijn volk lezen. „Conscience — in den ruimen zin: een eenvoudige naar den geest — schreef voor eenvoudigen van geest. Van die eenvoudigen is hij de toeverlaat, de schutsengel, de St. Niklaas geweest. Hij was als zij voor wie hij sprak: alleen het genie van het vertellen had hij meer Hij had hun gegeven den trots van het verleden, het bewustzijn