is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„DE NIEUWERE NEDERI/ANDSCHE POEZIE."

Als ik boven dit stukje „De Nieuwere Nederlandsche Poëzie" zet, — meen dan vooral niet, dat ik met die zeer algemeen klinkende woorden eene bespreking zou aankondigen van onze nieuwe dichtkunst in t algemeen! Immers, „de nieuwe Nederlandsche poëzie" wordt uitsluitend aangetroffen binnen de grenzen van het tijdschrift „De Beweging", dat, alleenzaligmakende Dichtkerk, buiten haar gebied geen poëtisch heil erkent.

De Paus dezer Dichtkerk, niemand zal het tegenspreken, is een Paus van voornamen stijl. Zijne encyklieken, in den apodictischen toon geschreven van wie zich onfeilbaar weet, dwongen tegelijk niet zelden bewondering af, om hun oorspronkelijk inzicht en mannelijk gebaar. Zijn cantieken, waaronder, zoowel voorheen als nog heden ten dage, telkens weer velerlei schoons en diepzinnigs te waardeeren viel, kenmerkten zich echter hoe langer hoe meer door eene zelfverheffing, om niet te zeggen zelfverheerlijking, die de belachelijk-laatdunkende houding zijner glorie-dronken adepten verklaart en vergeven doet.

Waar de Dichtkerkvorst soms zelfs den pauselijken toon voor den goddelijken verlaat en, bij-voorbeeld, met deze scheppers-woorden de heretieken en de afvalligen berispte (in het gedicht „Heengeganen"):

„Nu hebt ge vergeten Die hand die u weefde,

Het oog dat u keurde De geest die u plande —