is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij rijpt in ons zeiven", — en zij hoort de nieuwe stem die zegt: „lieven is drang omhoog, is 't worden van God in ons, en daartoe dient dit werk" — en

„God groeit in ons: in u, in mij, in allen,

naar mate wij ons moediger verheffen ten strijd voor het bewuste menschheidsleven en voor het aldoordringend welgevallen der Liefde "

Heel die stroom van gedichten over „d'onverwinlijk opwaartsche neiging die Leven heet", ik kan er slechts even de oppervlakte van langs scheren, doch niet den diepen gloed toonen, waarvan zij zijn doortogen, noch het immerdoor aanbruisen van nieuwe golven, verwinnend „d'onophoudelijke ongenade, die telkens doet het godlij ke verflensen in 't menschgeslacht". — Van een schijnsel van heilige vreugde staan die zegevierende gedichten omschenen:

„Maar nu is vrij geworde' in barenspijning

dit weten, door de wereld slaan zijn gloeden

hoog uit: „God in het universum wordt,

wordt in de Menschheid ook." Wie het bevroeden

zien vol ontzag in elkanders verschijning

't wonder der levensstijging uitgestort.

Totdat de dichteres ten slotte tot deze erkentenis komt, die in de laatste drie regels het karakter verkrijgt eener nieuwe levenswet, de levenswet waarvan haar jeugd het voorgevoelen kende:

„Als ontgoochling en twijfel ons ontrooven geloof dat menschheid eens omhoog zal zweven,

laat ons dan 't wonder der Liefde beleven één oogwenk maar: wij zullen weer gelooven.