is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nee", zei Japi, „ik bèn niks en ik doe niks. Eigenlijk doe ik nog veel te veel. Ik denk ook niet. 't Is jammer dat ik eten en slapen moet. Liefst zou ik dag en nacht blijven doorzitten." Hij had maar één wensch: onaandoenlijk te worden voor honger en slaap, voor kou en nat. Dat waren je groote vijanden. Eeuwig en altijd moest je weer eten en slapen, moest je weg van de kou, werd je nat en beroerd of moe. Zoo'n waterplas heeft 't maar goed, die golft maar en weerspiegelt de wolken, is aldoor anders en blijft toch gelijk. Heeft nergens last van."

En Bavink had maar plezier in hem: „Zoo'n kerel, die 't prettig vond om zich te laten uitwaaien, zijn kleeren en zijn lijf te laten doortrekken van den natten, zouten wind, die zijn lippen proefde met zijn tong omdat i dien zeesmaak zoo „verdomde lekker" vond. Zoo'n kerel die tevreden was omdat i bestond en gezond was...." en al wat daar kostelijks volgt....

„Japi was goud waard voor Bavink", want Bavink was een eerlijke schilder, die altijd weer trachtte het wonder te grijpen dat hij had gezien, en altijd weer zag, dat wat hij gemaakt had, „vullis" was. Dan bracht Japi's gezonde kijk op de dingen hem weer bij.

Maar Bavink was ook goud waard voor Japi. Want om het leven zoo „pur et simple" te genieten, als Japi het verstond, zijn „centen" noodig; en Bavink s „vullis" leverde „centen" op. En van daaruit neemt dan dit verhaal zijn soms wel onbetaalbaren loop, al ver-loopt het gaandeweg wat, om op een zelfmoord uit te loopen.Maar het type met z'n doodleuke frischheid en zijn futtige amoraliteit zal ik niet licht vergeten.

Toch gaat het derde verhaal „Titaantjes" dieper. De Titaantjes zijn vijf burgerjongens, die samen de wereld wilden hervormen. Hoe, dat wisten ze zelf niet. Ze waren zoo maar vaag socialistisch, maar ze waren het er over eens, dat ze „er uit" moesten, en op enkele „goeie kerels" na, verachtten ze ieder-