is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„torenschaduw" der slotregels, die „glimlach van 't peilloos verre" „spreidt" „lucht-langs"....

Dit z.g. gedicht karakteriseert het bundeltje volkomen. Bezingt zij bijv. Veere (Zeeland) dan vangt zij aldus aan:

„Veere is roze...."

hetgeen niet zeggen wil, dat Veere roze wordt in den avondgloed of iets dergelijks, doch dat Veere is „als een roos", die enz. Het zijn wel woorden, doch zeer dikwijls is het geen taal, waarvan Miek Jansen zich bedient.

Toch, zooals er in dat „De Toren in Storm" een paar betere regels waren, zoo is er in het geheele werkje desnoods een luttele vooruitgang te bespeuren bij „Aan de Bron". Er is ongetwijfeld iets liefs en warms, en dus moedgevends, in dit, te midden ■van zijn omgeving wel uiterst verrassende versje:

Voorbij Geluk.

Geef mij het leven hier, zoo warm

In handen als een vogel-jong,

dat ik zijn hart voel kloppen; ach, 'k ben arm,

zoo arm, 't Is al voorbij De donkere gong

der nacht vangt langzaam aan te luiden; hoe kort was dag, een brooze ademtocht..

Voorbij schrijden de jaren, duistere bruiden die we onder slui'ren neevlig zien.... Bij bocht van weg waren zij heen 't Is &1 voorbij.

Hier beweegt ,in de schaduw van den toren, een eigen leven, onmiskenbaar. En nog, hier en ginds, begint dat te schemeren in 'n enkelen zinrijker regel, tusschen veel willekeurigs en bizars.

Kathe Mussche is haar tegenbeeld; die bestait uit